Nico Louis Herschel (1915-1943)


Nico Louis Herschel werd geboren op 20 september 1915 te Zwolle als oudste van twee kinderen van Herman Herschel, meubelhandelaar, en Rebekka Reindorp. Hij huwde op 26 maart 1942 te Zwolle met Malchen ('Ammy') Weijel (Zwolle 1919). Het echtpaar kreeg één zoon: Tsewi Joseef (1942). Nico en zijn vrouw werden beiden op 23 juli 1943 te Sobibor (Polen) vergast.

Nico Herschel werd in de Zwolse Roggenstraat geboren. Hij bezocht de lagere school aan het Grote Kerkplein. Na een middelbare schoolopleiding volgde Nico de tweejarige Hogere Handelsdagschool te Deventer, waar hij op 27 juli 1933 zijn diploma behaalde. Voor de geplande universitaire studie ontbraken helaas de middelen. In 1926 en in 1931 was de meubelzaak van vader Herschel failliet gegaan. Dit noodzaakte de familie te verhuizen van de Melkmarkt naar de minder aanzienlijke Korte Kamperstraat. Nico Herschel vervolgde in oktober 1933 zijn opleiding met een MO-cursus boekhouden, terwijl hij overdag als administratieve kracht werkte bij verschillende werkgevers.

Eveneens in 1933 begon Nico een dagboek, dat hij tot eind 1942 zou bijhouden met een onderbreking tussen eind 1939 en voorjaar 1941. Het geheel beslaat tien delen, waarvan er één verloren ging, en twee gedichtenbundels. Aanvankelijk diende het als middel om de verveling te verdrijven en zijn gedachten te ordenen, maar het groeide tot een kroniek van de gebeurtenissen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Zijn aantekeningen en gedichten zijn openhartig, al realiseerde hij zich dat het dagboek in de toekomst ook door anderen gelezen kon worden. Zijn beschouwingen zijn over het algemeen helder en analytisch waardoor de waarde van dit document uitstijgt boven de normale dagboeken. Nico beschreef en analyseerde zowel lokale en regionale, als nationale en internationale gebeurtenissen. Zijn bijzondere aandacht hadden de economische ontwikkelingen en het jodendom. Daarnaast spelen in deze aantekeningen zijn eigen leven en opvattingen een belangrijke rol, vooral de relatie met zijn latere vrouw Ammy Weijel.

Nico was overtuigd zionist, zonder het religieuze aspect van het jodendom te verwaarlozen. In zijn optiek waren de joden in de eerste plaats een volk, dat recht had op een eigen staat (in Palestina), en pas in tweede instantie een religieuze gemeenschap. Deze opvatting werd door de orthodox-religieuze joden afgewezen. Nico besteedt in zijn dagboek ruime aandacht aan dit ideaal, dat zou groeien onder invloed van de gebeurtenissen in Duitsland in dejaren dertig. Tegenstanders van het zionisme, zoals de orthodoxe Overijsselse opperrabbijn S.J. Hirsch, of mensen zonder overtuiging ('verdorde gettojoodjes') veroordeelde hij. Sinds 1931 was hij lid van de zionistische jeugdvereniging in Zwolle, Naär-oeth Jisraeel, waarvan hij ook enige tijd voorzitter was. In dezelfde tijd was hij secretaris van het religieuze studiegenootschap Ets Chajiem, bestuurslid van de joodsche Jeugd-federatie Zwolle en correspondent van de Zwolsche Courant voor Zwols-joodse aangelegenheden.

Vanaf 1933 stond voor Nico vast dat de joden het slachtoffer zouden worden van het Duitse antisemitische fascisme. Hoewel hij aanvankelijk om economische redenen voorstander van een sterk staatsgezag was - hij bewonderde Colijn en Mussolini - keerde hij zich in de latere jaren dertig tegen dictatoriaal staatsgezag. In de NSB van Mussert herkende hij al vroeg een anti-joodse teneur. Tegen het einde van de jaren dertig nam zijn verlangen zich in Palestina te vestigen een vastere vorm aan. Het provinciaalse Zwolle benauwde hem al langere tijd en in Europa zag hij geen toekomst meer voor het joodse volk. In december 1938, na de Kristallnacht in Duitsland, besloot hij, evenals vele andere jonge joden, zich te gaan voorbereiden op het leven in Palestina. Dit kon mede omdat hij in juli 1938 zijn MO-studie had afgesloten. Gebrek aan financiën, de zorg voor zijn ouders en ten slotte de Duitse inval verhinderden echter de uitvoering van zijn plannen. Nico werd hierna, eind 1939 - begin 1940, aangesteld als assistent-verificateur bij het accountantsbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te Arnhem.

De Duitse inval op 10 mei 1940 maakte hij in Arnhem mee. Na de capitulatie vertrok hij naar Zwolle om bij Ammy, zijn ouders en zuster te zijn. Na korte tijd echter hervatte hij zijn werk in Arnhem. Hoewel hij moest constateren dat er na 15 mei 1940 ogenschijnlijk niets was veranderd, besefte Nico wel dat de joden de eersten waren die nu gevaar liepen, overigens zonder de komende genocide te kunnen voorzien. Nu de spanningen in Europa zich hadden ontladen, kon men niets beters doen dan het lot te aanvaarden en uitzien naar een betere toekomst, meende Nico. In februari 1941 werden joden uit de overheidsdienst ontslagen. Nico en zijn verloofde Ammy besloten hun leven een nieuwe inhoud te geven en zich voor te bereiden op het leven in Palestina, in de hoop dat de oorlog snel zou zijn afgelopen.

Nico bekwaamde zich in het boerenwerk. Hij stopte hiermee, toen duidelijk werd dat de bezetting niet snel zou eindigen. Nico werd op 16 januari 1942 benoemd tot leraar handelswetenschappen aan het Joods Lyceum te Zwolle, dat was opgericht omdat joden nu waren uitgesloten van het algemeen onderwijs. De financiële zekerheid van deze baan maakte het Nico en Ammy mogelijk om op 26 maart 1942 te trouwen. Zij trokken in bij Nico's ouders aan de Derk Buismanstraat te Zwolle. De joodse gemeente van Zwolle zou, meer en meer geïsoleerd, nog ongeveer een jaar bestaan. Op 29 december 1942 werd nog te Zwolle Nico en Ammy's zoon Tsewi Joseef geboren.

Rond 1 april 1943 moest het restant van de joodse gemeente Zwolle op last van de bezetter naar Amsterdam vertrekken. Het gezin Herschel betrok daar het huis Tugelaweg 1. Nico en Ammy moeten hebben beseft dat de deportatie van joden naar werkkampen in Oost-Europa gevaren met zich meebracht. Zij probeerden zich daaraan te onttrekken en zagen kans Tsewi te laten onderduiken. Aangezien Nico geen schuilplaats had, weigerde Ammy een haar aangeboden onderduikadres. Op 20 juni 1943 kwamen beiden aan in het doorgangskamp Westerbork. Op 20 juli 1943 werden zij met 2207 anderen afgevoerd naar Sobibor, om daar drie dagen later te worden vermoord.

Auteur: Jaap Hagedoorn

Uit: Overijsselse Biografieën
Geboren:   20-09-1915 Zwolle
Overleden:   23-07-1943 Sobibor (Polen)
Vader:   Herman Herschel, meubelhandelaar
Moeder:   Rebekka Reindorp
Echtgeno(o)t(e):   Malchen ('Ammy') Weijel (Zwolle 1919)
Publicaties:   J. Hagedoorn, 'Een mens die jood was. Dagboekaantekeningen van Nico Herschel', in: Ah een strootje in de maalstroom. Zwolle tijdens de tweede wereldoorlog, Zwolle 1985, 112-125
Laatst bijgewerkt op:   06-03-2014