In de periode 1672 tot 1684 ontwikkelde hij zich tot een prominent aanhanger en verdediger van Coccejus en van Descartes. Kort na zijn aantreden in Nieuwvliet schreef hij voor een breed publiek De geest en consciencie des menschen. In dit pamflet geeft hij een overzicht van de cartesiaanse metafysica en kenleer, en hij schetst het belang daarvan voor de theologie. In 1681 geeft hij in een brief aan Christopher Wittichius, hoogleraar theologie te Leiden, blijk van zijn uitgebreide kennis van Spinoza.

In het voorwoord bij de derde druk (1684) van zijn Keten der Bybelsche godgeleerheid volgt hij het scherpe onderscheid dat Spinoza in zijn Theologisch-politiek Traktaat maakt tussen theologie en filosofie. In tegenstelling tot Spinoza ziet hij de Bijbel als enige kennisbron van een kern van theologische waarheden, zoals de leer van de drie-eenheid. In 1700 publiceert hij twee boeken over Salomo: Het leven van den wijzen en magtigen konink Salomon en De prediker van den wijzen en magtigen konink Salomon. Beide werken bevatten een politieke boodschap: de ware wijsheid is niet alleen onverenigbaar met geestelijke tirannie, maar de ware religie is eveneens onverenigbaar met maatschappelijke onderdrukking. Hij richt zich tot de burger die hij praktische levenslessen biedt, lessen en adviezen die hem in staat stellen “rationeel” te leven. Het is nodig om Gods eeuwige orde, die tot uiting komt in de natuurwetten, zoveel mogelijk te kennen. Als alles een oorsprong in God vindt, dan is alles goed. Alles kan daarom dienen tot onze vervolmaking, ook seksualiteit. Voorts wijst hij erop dat dominees die mensen bang maken door op het zondebesef te hameren, dwazen zijn. In bovenstaande werken is al een belangrijk deel van de ideeën aanwezig die de basis vormen van De hemel op aarden, of een korte en klaare beschrijvinge van de waare en stantvastige blydschap, zoo naar de reden als de H. Schrift voor alle slag van menschen en in allerlei voorvallen.

De hemel op aarden verscheen in 1703 met kerkelijke goedkeuring. Al snel was er behoefte aan een tweede druk. In 1706 en 1758 werd het boekje in het Duits vertaald. De inhoud is ook hier een praktische levensleer. Het is een klein boekje dat uitbundig de vreugde prijst. Vreugde is het doel in het leven. De Bijbel die voor de massa bestemd is, houdt rekening met de zwakheid van de mensen en maakt gebruik van mooie beelden om de goddelijke boodschap over te brengen, gericht op gehoorzaamheid van geloof. Een andere manier om de mensen tot de eeuwige vreugde, tot God, te brengen is de weg van de rede en het verstand. Want zo kan de mens Gods eeuwige orde leren doorgronden. Volgens Van Leenhof is deze weg superieur aan die van de verbeelding van de Bijbel. Want de weg van de verbeelding, de Bijbel, is onzeker en gaat met dwalingen gepaard. De schrift leert geen wijsheid en inzicht, maar slechts gehoorzaamheid van geloof. De kennis van God kunnen we ook door ervaring leren kennen. Ons dagelijks handelen wordt bepaald door de overlevingsdrift. Hoe beter we daarin slagen, hoe blijer wij ons voelen. Voor ons zelfbehoud zijn we als kleine onderdeeltjes van Gods eeuwige orde aangewezen op anderen. Daarom sluiten mensen zich graag aan bij gemeenschappen en onderwerpt de mens zich graag aan de wetten van de “borgerstaat”.

De mens moet tot ware blijdschap komen en daarmee komt hij tot de liefde tot God en de naaste. De overheid moet hiervoor zorgen, onder meer door twistende predikanten en professoren in toom te houden. Verder moet de overheid excessieve vormen van rouw en droefheid tegengaan. Ook het ongezonde begraven in kerken moet worden afgeschaft. De overheid dient zowel het materiële als het geestelijke welzijn van zijn onderdanen te bevorderen; het geestelijke door onderwijs, opvoeding en cultuur. Zelf dienen de burgers deugden als vriendschap, trouw, bescheidenheid en vriendelijkheid te beoefenen. De burger dient voortdurend stil te staan bij Gods eeuwige liefde en moet zich ook afvragen wat droefheid is en waardoor deze ontstaat. Deze bezinning leidt ertoe dat droefheid geen grip op de mens krijgt. Ook geeft hij concrete adviezen over kleding en seks. Zijn ideaal zijn de Italiaanse stadstaten.

Ook in dit werk is grote invloed van Spinoza aanwezig. Hoewel hij zich geen spinozist noemt, verklaart Van Leenhof in de op de publicatie volgende polemiek openlijk Spinoza te hebben gelezen.

De publicatie van De hemel op aarde bracht een ware pennenstrijd op gang. Van Leenhof werd verweten spinozist te zijn. De kerkenraad van Zwolle stond aanvankelijk achter hem. De classis Zwolle en de synode van Overijsel drongen aan op een volledige herroeping. Onder druk van het Zwolse stadsbestuur en Provinciale Staten van Overijssel moest de kerk aanvankelijk genoegen nemen met een verklaring waarin Van Leenhof zich verontschuldigde voor de onrust die hij had veroorzaakt. In 1708 ontsloeg de Synode van Overijssel hem. Het Zwolse stadsbestuur erkende dit besluit echter niet. Van Leenhof bleef in functie. In december 1710 vroeg hij zelf ontslag aan. Op 1 januari 1711 hield hij zijn officiële afscheidspreek.

Auteur: Johan van der Veen



Zie ook Biografisch Portaal: http://www.biografischportaal.nl/persoon/07672882

Zie ook Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=leen019

Zie ook The Library of Curiosities: https://stevendejoode.wordpress.com/2010/01/09/frederik-van-leenhof/

Vader:   Wouter van Leenhof
Moeder:   Magdalena van den Berge
Publicaties:   

De geest en consciencie des menschen  - 1672

Keten der Bybelsche godgeleerheid  -  1678

Het leven van den wijzen en magtigen konink Salomon  -  1770

De prediker van den wijzen en magtigen konink Salomon  -  1770

De hemel op aarden, of een korte en klaare beschrijvinge van de waare en stantvastige blydschap, zoo naar de reden als de H. Schrift voor alle slag van menschen en in allerlei voorvallen  -  1703

Laatst bijgewerkt op:   22-08-2016