Johan van Breda (1480-1540)


Johan van Breda werd omstreeks 1480 geboren, als zoon van een zekere Leonardus van Breda. Hij huwde vóór 9 juli 1509 met Ghese (overleden 1523), dochter van de Kamper schipper en koopman Klaas Gerrits en Fye Bolhorne. In 1529 hertrouwde hij met Clara (overleden 1533), dochter van Geert Andries, schepen van Kampen, en van Catharina. Uit het eerste en tweede huwelijk sproten kinderen. Van Breda overleed te Kampen op 20 juli 1540.

Johan van Breda werd in 1502 aangesteld als klerk op het raadhuis van de machtige Hanzestad Kampen. Zijn werk bestond voornamelijk uit het opstellen en schrijven van akten. Blijkbaar voldeed Johan goed, want in 1507 promoveerde hij tot stadssecretaris. Ook stelde het stadsbestuur hem aan tot consistoriaal, belast met het notuleren van kerkelijke vergaderingen. Vanaf 1508 trad hij bovendien op als notaris, zodat hij niet alleen als stadssecretaris akten kon passeren. In zijn notarismerk voerde hij de spreuk sors omnia versat (het lot doet alles wentelen).

Door zijn huwelijk met de niet onbemiddelde koopmansdochter Ghese wist Johan zich een plaats te veroveren binnen de sociale bovenlaag van de stad Kampen. In 1509 werd hij als lid van het prestigieuze Kamper Schepenmemorie toegelaten. Deze Schepenmemorie vormde een broederschap tot onderlinge onderstand. Van deze exclusieve memorie waren voornamelijk leden van de Kamper regeringsfamilies lid.

Pas na 1514 kon Johan zich als oudste stadssecretaris gaan manifesteren als één van de belangrijkste ambtenaren van de stad. De oudste secretaris immers was vrijwel als enig lid van de stadsregering van alle lopende zaken op de hoogte. De meeste stadsbestuurders hadden maar enkele jaren zitting of waren vanwege handelsbelangen nogal eens langdurig van huis. Johan ontving zijn eerste diplomatieke opdracht in 1515. Hij werd naar Zwolle en naar de prior van het klooster te Sint Janskamp bij Vollenhove gezonden om te spreken over de aanbieding van een geschenk aan koning Christiaan van Denemarken bij gelegenheid van diens huwelijk met een zuster van Karel V. Met het oog op de handelsbelangen onderhield Kampen bondgenootschappelijke betrekkingen met de Deense koning.

Johan werd in 1516 vervolgens afgevaardigd naar Kopenhagen om bij de bruiloft aanwezig te zijn. Dit was de eerste verre reis in zijn loopbaan, die hem onder meer nog naar Brugge, Mechelen, Heidelberg, Bremen, Hamburg en Lübeck zou voeren. Ook bij het gewestelijke bestuur raakte hij steeds nauwer betrokken. Dikwijls vergezelde hij de afgevaardigden van Kampen naar de vergaderingen van de landdag van Ridderschap en Steden en naar de daarop voorbereidende bijeenkomsten ('maalsteden') van de drie grote steden Deventer, Kampen en Zwolle.

Belangrijk waren de reizen die Johan maakte in opdracht van de stad bij gelegenheid van de verkiezing van een nieuwe landsheer. Te zamen met de secretarissen van de twee andere grote steden sprak hij in 1517 te Utrecht met de Staten van het Nedersticht over de nieuw te kiezen landsheer, nadat bisschop Frederik van Baden door Karel V tot aftreden was gedwongen. Na de verkiezing van Philips van Bourgondië tot bisschop haastte hij zich naar Wijk bij Duurstede om de nieuwe vorst 'de goetwillicheyt desser lantscap ende der steden voir te helden'.

Toen Philips van Bourgondië in 1524 stierf, moest er andermaal worden uitgekeken naar een nieuwe landsheer en weer werd Johan belast met de daarvoor benodigde diplomatieke missies. Ditmaal was dat zeker geen eenvoudige zaak. Het Oversticht wenste vooral een sterke landsheer, die de expansiedrift van de Gelderse hertog Karel van Gelre kon weerstaan. In Heidelberg onderhandelde hij met Hendrik van Beieren en niet lang daarna mocht Johan deze als landsheer te Kampen mede huldigen.

De nieuwe landsheer Hendrik van Beieren bleek niet de sterke vorst te zijn die men nodig had. Hij geraakte in oorlog met Karel van Gelre, waaronder het Oversticht ernstig geleden heeft. In Kampen en Deventer raakte men ervan overtuigd dat er meer heil te verwachten was van Karel V, de grote tegenspeler van Karel van Gelre. Opnieuw was het Johan die belast werd met de onderhandelingen over de overdracht van het wereldlijke gezag aan de Habsburgse vorst. Het moet Johan veel genoegen gedaan hebben, dat op 7 januari 1528 de akte bezegeld kon worden waarbij Karel V tot landsheer werd aangenomen. Johan verzuchtte bij die gelegenheid 'God geve geluck en heyll en meerder vrede en welvaert dan duslange in den Overstichte geweest is'.

Mogelijk dat zijn tweede huwelijk - gesloten in 1529 -hem ervan weerhield om nog langer gevaarlijke buitenlandse reizen vanwege de stad te ondernemen. Het is opvallend dat hij na de dood van zijn tweede vrouw wel weer voor de stad op reis ging. In 1535 wilden de wederdopers, op dat moment een tamelijk revolutionaire beweging, te Munster in Westfalen hun zogeheten Vrederijk stichten. Wederdopers uit de Nederlanden - met name Amsterdam - maakten zich op om zich via de verzamelplaats Kampen naar Munster te begeven. Van Breda vreesde een ernstige bedreiging van de openbare orde in Kampen en trachtte in samenspraak met de stad Amsterdam de wederdopers in hun streven te belemmeren.

Nadien moet Johan ziekelijk geworden zijn. De voornaamste dagelijkse beslommeringen op het Kamper raadhuis liet hij over aan zijn collega's en reizen maakte hij in het geheel niet meer. Op 20 juli 1540 omstreeks elf uur in de ochtend stierf hij. Hij werd in de Bovenkerk te Kampen begraven. Tijdens zijn ziekte moet hij gewerkt hebben aan zijn herinneringen; die beginnen met de overdracht van het bisdom Utrecht aan Philips van Bourgondië in 1517 en eindigen met het gekrakeel rond de Kamper pastoor Arend van Keulen, die in 1539 van ketterij werd beschuldigd. We leren hem daaruit kennen als iemand die goed op de hoogte was van de eigentijdse gebeurtenissen. Hij komt ook naar voren als een gezagsgetrouwe man, vol eerbied voor zijn vorst - Karel V -, de stadsbestuurders en de kerk. Van de Utrechtse kerkvorsten uit zijn tijd had hij nimmer een hoge dunk en van de leden van de Overijsselse Ridderschap evenmin, 'want de heren van Utrecht, die toch nyet dan hoir lyftucht an den stichte hebben, willen 't soe niet ten hertten nemen als 't behoirtt en de ridderscap lopen oick altyt achterwerts en suecken hoer selvest'. Daarmee karakteriseerde hij zichzelf als man van de belangen van de handeldrijvende stad Kampen.

A.J. Mensema

Uit: Overijsselse Biografieën

Geboren:   circa 1480 Kampen
Overleden:   20-07-1540 Kampen
Vader:   Leonardus van Breda
Echtgeno(o)t(e):   Ghese (overl. 1523) dv Klaas Gerrits
Tweede echtgeno(o)t(e):   Clara (overl. 1533) dv Geert Andries
Publicaties:   Kamper Kronijken II. Kronijk van Johan van Breda (Uitgegeven door de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsen Regt en Geschiedenis), Deventer 1864 A.J. Mensema, 'Van Breda. Een Kampens geslacht', in: Gens Nostra 30 (i975), 94-101
Laatst bijgewerkt op:   27-02-2014