Arnold Moonen (1644-1711)


De predikant-dichter-taalkundige-historicus Arnold Moonen is zeker in geen dezer functies een figuur van het eerste plan geweest, misschien zelfs te nauwer nood van het derde. Ook behoeft hij niet onder de miskende genieën te worden gerekend, want bij zijn leven en nog enige tijd daarna heeft het hem aan erkenning en eerbewijs allerminst ontbroken. Wel zijn 's mans naam en werken betrekkelijk spoedig op de achtergrond en ten slotte in vergetelheid geraakt, behoudens plichtmatige vermelding in historische overzichten. Toch is hij belangrijk te noemen vanwege de plaats, die hij als cultuurdrager in zijn tijd heeft ingenomen - typisch vertegenwoordiger van het genus gestudeerde en studerende predikant met wijde belangstelling.

Arnold Moonen werd 12 Juli 1644 te Zwolle geboren, als zoon van Isaäk Moonen, geb. in 1600 te Aken, overleden te Zwolle in 1685, en Anneken Arents, hoogstwaarschijnlijk uit Goor. De vader was om des geloofs wil uit zijn geboortestad uitgeweken, wat ook met de groot- en overgrootvader het geval was geweest. Hij trouwde in 1639; van beroep was hij handeldrijvend; hij bekleedde de functie van luitenant bij de schutterij en nam als zodanig deel aan de "veldtocht" tegen Hasselt in 1657. Anneken Arents was zijn tweede vrouw, met wie hij kort na de dood zijner eerste huwde; uit het eerste huwelijk, met een familielid, had hij een dochter, uit het tweede drie zonen, van wie Arnold de oudste was. Deze bezocht in Zwolle de Latijnse School, waar Johannes Kok van 1651-1670 rector was, voordat hij in laatstgenoemd jaar tot hoogleraar in Leiden werd benoemd. Hij studeerde vervolgens in Utrecht, waar zijn naam niet in het Album voorkomt; het valt echter op te maken uit een aantekening in zijn "Poëzy" waar hij Franciscus Burmannus en Johannes Georgius Graevius als zijn leermeesters noemt. Volgens G. Dumbar zou hij daarna in Leiden hebben gestudeerd, maar hiervoor bestaat geen enkele nadere aanwijzing. Wel heeft hij zijn studie in Groningen vervolgd; in 1666 op 1 Oct. werd hij daar in het Album Studiosorum ingeschreven. Hij woonde er bij een zekere Gregorius Mees. Na in 1668 een dissertatie te hebben geschreven (waarschijnlijk niet pro gradu) werd hij 12 Aug. van dit jaar na praeparatoir examen als proponent toegelaten. Voorlopig bleef hij echter buiten het ambt; zijn ambitie ging meer uit naar een betrekking als docent dan naar het pastoraat.

Na een verblijf van drie jaren in zijn vaderstad, onderbroken door een kort verblijf in Gramsbergen, woonde hij ruim een jaar in Den Haag, als huisleraar bij de griffier Fagel. Uit de brieven van deze periode blijkt, dat hij voortdurend moeite deed om ergens als rector of praeceptor aan een Latijnse School te worden benoemd; naar een predikantsplaats ging eerst in de tweede plaats zijn verlangen uit. Een beletsel voor een rectorsbenoeming, althans voor die in Dordrecht, schijnt te zijn geweest dat hij nog ongehuwd was (wat inderdaad in de weg zou staan aan het in huis nemen van kostleerlingen), "alsof een vrijgezel, eenmaal in die positie, niet een vrouw zou kunnen krijgen". In deze dagen schijnt hij - bij voorbaat - al ernstig over een huwelijk te hebben gedacht; in brieven aan zijn Zwolse vriend Grevenstein noemt hij herhaaldelijk diens zuster: "Arnoldina mea" en hij zendt haar als hulde een gedicht, een rouw-epigram op het overlijden van de zoon van de Haagse predikant-dichter Simon Simonides. Voortdurend schreef hij in deze periode links en rechts, vragend om bemiddeling of mededeling doende van zijn veelvuldige hoop en teleurstelling. Ondertussen verzuimde hij de studie niet. In deze jaren valt ook een vraag van burgemeester Wolfsen van Zwolle of hij zich beschikbaar zou willen stellen om als ambassade-predikant naar Lissabon te gaan. Hij had het graag gedaan, maar zijn ouders waren er tegen. Tenslotte kreeg Moonen dan toch nog een beroep, naar Hardenberg. Ondertussen hoopte hij nog op een geestelijke functie aan het Gasthuis te Delft, want hij was liever in Holland gebleven, waar hij aanraking had gevonden met hem congeniale figuren als de predikant-dichters Vollenhove - vroeger in Zwolle - en Simonides in Den Haag. 23 Sept. 1674 deed Moonen dan zijn intrede in Hardenberg, na drie dagen te voren door de Zwolse predikant Rouse in het ambt te zijn bevestigd. Twee jaren bleef hij er ongetrouwd; in Sept. 1676 huwde hij Catharina Adelheid Osicius, dochter van de uit Bohemen afkomstige conrector te Steinfurt Wencelaus Osicius; Ds Nic. Metelerkamp, van 1658-1679 predikant te Brandlecht (even over de grens in het Bentheimse), zegende hier het huwelijk in. Zij was in 1654 in dit dorp geboren; Moonen had haar in Nordhorn op een bruiloft voor het eerst ontmoet. Prof. Fabricius te Steinfurt, een familielid van haar, schijnt zo wat als bemiddelaar bij het huwelijk te hebben gefungeerd. Het werd een gelukkige echtverbintenis, waaruit vier dochters geboren werden.

Moonen heeft zijn ambtswerk met ijver aangevat: blijkbaar gevoelde hij enige theologische achterstand. Zijn jongere vriend Lubb. Voltelen, toen nog student, raadde hij met nadruk de studie der talen aan, en voor zich zelf vroeg hij hem boeken en commentaren betreffende het Oude Testament aan te schaffen; op de prijs behoefde niet al te zeer te worden gelet. Hij bezorgde een heruitgave van een catechetisch handboek en raadpleegde Prof. Burman over het schrijven van een vertaling met commentaar van het apocryfe proto-evangelie van Jacobus. Overigens was zijn begin in het ambt niet al te gelukkig geweest. Als jongste predikant van de classis moest hij in de eerste door hem bijgewoonde classicale vergadering de obligate preek houden; in de daaraan verbonden discussie werd hij door de broeders wegens heterodoxie aangevallen; hij had, prekende over de tekst "Vergeef ons onze zonden" de zonde tegen de Heiligen Geest van deze bede willen uitsluiten. Hij heeft hierover het oordeel van Prof. Burman ingeroepen; als een bewijs hoezeer Hardenberg toen nog buiten de bewoonde wereld lag, mag Moonen's opmerking gelden, dat Burman zijn antwoord maar aan zijn ouderlijk huis in Zwolle moest adresseren; dan kwam het wel verder. Hij schijnt deze af gelegenheid wel pijnlijk te hebben gevoeld; in een andere brief aan Burman klaagt hij dat hij zo ver van Holland zit, in de uiterste randgebieden, met in de omgeving onbeschaafde lieden, die geneigd zijn af te geven op wat zij niet kennen; hij spreekt van "in hac solitudine", buiten geestelijk verkeer. Ook in een brief aan de bekende Deventer burgemeester en hoogleraar Gysbert Cuper beklaagt hij zich over zijn ballingschap, "in limbo mundi" , "inter barbaros", maar: de Muzen zijn hem tot troost. Dit schrijven was tevens een soort sollicitatie; een aantal bijgevoegde emendaties op klassieken moesten getuigen van zijn studiezin. Of dit schrijven enigszins te zijnen gunste heeft gewerkt? In allen geval zal Moonen het als een bevrijding hebben gevoeld toen hij kort daarna een beroep naar Deventer ontving. De 16e februari 1679 deed hij hier zijn intrede). Aan Burman schreef hij verheugd, dat men er beter begreep wat aan geleerde mannen toekomt. Hij is er verder zijn gehele leven gebleven; 11 jan. 1711 hield hij zijn laatste preek - het was volgens Molhuysen de 2548ste! Hij was toen al lijdende en kreeg in April d.a.v. van de magistraat eervol ontslag onder toekenning van een pensioen, dat gekort werd op het traktement groot f 900 van zijn opvolger. Nog in datzelfde jaar 1711 is hij gestorven, de 17e december; volgens Dumbar was hij bezig met het lezen van de oudste classicale en synodale boeken met de bedoeling een vervolg op zijn “Geschiedenis van Overyssel" te schrijven; het stadsbestuur had hem hiertoe toegang tot de oude archieven gegeven. Hij werd in het koor der Groote Kerk begraven. De hem bevriende Ds. Adr. Pars, van Katwijk, een allerellendigst rijmelaar, bezong hem in een gedicht:

“Schrey uit nu, Deventer, en laat u klagten horen,
Schreeuw hem na hoger als u Noordenberger toren."
 

Zijn weduwe heeft hem meer dan twintig jaren overleefd. Een beroep naar elders heeft hij nooit ontvangen. Hij leefde in goede harmonie met zijn ambtgenoten, waartoe een tijdlang de beroemde latere Prof. Roëll te Franeker behoorde. Meermalen werd hij afgevaardigd door de classis naar de provinciale synode. Door zijn kwaliteiten als schrijver en dichter nam hij in zijn stad een geziene positie in, bekendheid en in zekere zin zelfs roem genietend ook daarbuiten.

Samenvatting van: J. Lindeboom. Arnold Moonen 1644-1711 (Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde. 1958

Geboren:   12-07-1644 Zwolle
Overleden:   17-12-1711 Deventer
Vader:   Isaäk Moonen
Moeder:   Anneken Arents
Echtgeno(o)t(e):   Catharina Adelheid Osicius
Publicaties:   Zie Digitale Bibliotheek voor Nederlandse Letteren voor werken van Arnold Moonen, voor biografieën en secundaire literatuur.
Laatst bijgewerkt op:   08-04-2014