Hendrik Broer (1886-1968)


Hij kreeg pas laat erkenning. De Gieterse kunstschilder Hendrik Broer leefde met zijn vrouw een teruggetrokken bestaan. “De mensen hebben geen tijd meer. Ze willen niet lang naar een schilderij kijken. Het moet in een keer op hen afkomen. In felle harde kleuren het liefst. En daar houd ik niet van. Ik behandel de natuur zacht en voorzichtig.” Zijn graf in Giethoorn is net zo sober als zijn leven. Een goedkoop stuk hardsteen met enkel zijn naam en twee jaartallen. Geen deksteen of begroeiing maar kale zwarte grond.

In een Telegraaf-interview uit 1959 met Hendrik Broer en zijn vrouw Guurtje schrijft journalist Eelke de Jong. “Hij is oud en klein en krom en mensenschuw (…) Hij verbergt zich verlegen achter zijn grote bleke handen, een uitgedoofde pijpenkop, hij zakt helemaal dubbel op een wrakke keukenstoel. Hij is zo oud, schichtig en zonderling.” Eelke De Jong portretteert het echtpaar alsof het ‘paradijsvogels’ uit de provincie zijn. Hij laat het echtpaar ‘mummelen’, ‘frommelen’ en ‘schuifelen’. Frans van der Veen uit IJhorst, zelf kunstschilder, zegt geïrriteerd over de karikaturale beschrijving: “Het echtpaar Broer was bijzonder. Maar ze waren niet onnozel. Een dergelijke typering zegt meer over journalist dan over de Broers.” Van der Veen kwam al jong als bewonderaar over de vloer bij Hendrik Broer. “Een eenvoudig boerenhuis aan de Molenweg met moestuin. Zijn atelier was een simpele schuur. Je werd er altijd hartelijk ontvangen.” Hij pakt een drietal werken van Broer van de muur. En overhandigt enkele oude ansichtkaarten uit Giethoorn. “Komt u gauw weer met uw verloofde want de aardbeien zijn rijp”, schrijft Broer aan de jonge Van der Veen. “Ze waren volgens mij bewust kinderloos. Dat paste ook bij hun visie op het leven en de natuur. Guurtje Jannes was een sterke intelligente vrouw. Ze verdiende de kost als naaister. Het was een boerenvrouw met allure. Hendrik was niet strijdbaar. Guurtje kwam altijd voor hem op.”

Als kind leed Broer al aan een wervelaandoening. En hij was nauwelijks twintig toen hij met de longziekte pleuritis in het Sophia Ziekenhuis van Zwolle terechtkwam. De zware arbeid die hij op jonge leeftijd al verrichtte was funest voor zijn toch al zwakke gezondheid. “Rietsnijden, Turfsteken. ’s Winters stond je tot je knieën in ijswater, soms sneed je met je kapmes in je laars en dan strompelde je met drijfnatte voeten verder…” zei hij hierover. In het ziekenhuis ontdekte Broer dat zijn tekentalent andere mensen kon boeien. Hij kwam in contact met mevrouw van Bevervoorde-Van Rappard uit Dalfsen. Via deze dame kreeg hij les in Amsterdam, in het atelier van Martin Monnikendam. Enkele maanden hield hij het hier uit. Na zijn huwelijk met Guurtje Jannes, ging het echtpaar met dezelfde mevrouw van Bevervoorde mee naar Parijs. “Ik was liever in Amsterdam gebleven”, zegt Broer in het Telegraaf-interview. “Maar mevrouw dacht dat ik in Parijs wel iets kon bereiken. Iedere dag zwierf ik rond door musea en armoedebuurten.” Na een half jaar keerde Broer alweer terug naar de Nederlandse hoofdstad. “Ik hield op met schilderen”, zei Broer destijds. “Schilderen was gekkenwerk vond mijn vader altijd. Ik bedacht, wel te laat, dat hij gelijk had.” Over Broer’s buitenlandse periode zegt Van der Veen: “Hij raakte hier verbitterd. Hendrik en zijn vrouw spraken nooit kwaad over mensen. Maar ze voelden zich gebruikt door die mevrouw van Bevervoorde.

De kunstschilder had het gevoel dat hij als een rariteit bekeken werd. Hij was te goed om als manusje-van-alles op te treden.” Terwijl mevrouw van Bevervoorde vooral teleurgesteld was in de Gieterse schilder. “Broer greep zijn kansen niet in Parijs”, zou zij hebben gezegd. Terug in Nederland besloten de kunstenaar en zijn vrouw zelf iets te ondernemen. Hun kippenfarm in Maarn werd winstgevend. Over het ‘hoenderpark’ zegt het echtpaar: “We hadden de schoonste eieren. Meneer Schimmel uit Barneveld gaf er drie tot vier cent boven marktwaarde voor.” Tot de kuikenziekte kwam, en ook nog de Duitsers. “Ze gooiden de grenzen dicht en toen ging het niet meer. Had je eieren van twee cent; van twee cent kan je geen eieren maken.” Jaren later door toedoen van kunstenaar en vriend Jelle Troelstra, zoon van Pieter Jelles, begon Broer weer te schilderen.

Bij de opening van de overzichtsexpositie in Zwolle in 1959 sprak Troelstra mooie woorden. Hij noemde Broer ‘een regionaal schilder in de goede betekenis van het woord: gevoelig en bedachtzaam. Hij zeeft het geziene en bindt het licht, de sfeer en de ruimte door zijn scheppende verbeeldingskracht.” Broer had de smaak weer te pakken. ”Na de oorlog ben ik pas echt begonnen. Leven kon ik er niet van. Ik was blij dat ik eindelijk een pensioentje kreeg. De mensen moesten mijn werk niet… Maar ik begon te leren wat schilderen, echt schilderen was.” Van der Veen prijst Broer om zijn ingetogen robuuste werk. “Hij had aandacht voor kleine dingen. Je moet moeite doen voor zijn werk. Zijn beste werken zijn vrij klein en donker. Broer was geen held op het grote vlak.” Hillie Bakker uit Giethoorn is medewerkster bij het Olde Maat Uus. Dit streekmuseum bezit een schilderij en de transportfiets van de kunstenaar. “Een eenvoudig model met de bagagedrager voorop. Hier kon hij schildersspullen kwijt.”

In de huiskamer van Bakker hangen prominent twee werken van Broer. “Mijn man kocht ze in de jaren zestig. Dit is een van zijn laatste schilderijen”, wijst ze op een stilleven uit 1966. “Ik weet niet meer wat we ervoor betaald hebben. Zeker een paar honderd gulden. Maar toen we op een zondagmorgen bij hem kwamen en zeiden dat we graag een werk van hem wilden kopen, maakte Broer nauwelijks aanstalten. Hij hoefde niet zo nodig iets te verkopen. Of misschien dacht hij: zo’n jong stel heeft weinig geld.” Hendrik Broer bleef zijn werkzame leven in de schaduw staan van zijn dorpsgenoot en collega Piet Zwiers met wie hij in de jaren vijftig gebrouilleerd raakte. “Deze kunstenaars waren totaal verschillend”, constateert Van der Veen die beide mannen regelmatig bezocht. “Zwiers was een extraverte man die zijn werk goed kon verkopen. Broer was het tegendeel. Je moet wel rekenen dat er bijna een generatie tussen zit. Ze stierven vlak na elkaar maar Broer was wel bijna twintig jaar ouder.”

Na de Zwolse overzichtsexpositie in 1959 verkocht Broer een deel van zijn werk aan het Provinciaal Museum Overijssel, nu Stedelijk Museum Zwolle. “Ik dacht als ik doodga, dan wordt de boel verkocht want mijn broers zijn dood en ik heb geen kinderen. Schilders krijgen geen kinderen”, zei Broer destijds. “En dan gaat iemand anders er vandoor met mijn schilderijen. Want er zijn beste bij, die geld waard zijn.”

Auteur: Marion Groenewoud
Geboren:   18-06-1886 Giethoorn
Overleden:   20-07-1968 Meppel
Echtgeno(o)t(e):   Guurtje Jannes
Publicaties:   Hendrik Broer/ door D.J. Reeskamp In: Overijssel '68 (Jaarboek Overijssel), p. 106-111 Schilder van de stilte/ door A.L. Broer In: Giethoorn, dorp tussen de Wieden, 1980, p. 68-70
Laatst bijgewerkt op:   17-03-2014