Otto Spitzen (1823-1889)


In de loop van het vorige jaar stierf Adriaan Orie, oud-koster van de O.L.Vrouwekerk te Zwolle, in de gezegende leeftijd van 90 jaar. Met hem stierf één der laatsten, die Otto Anton Spitzen nog persoonlijk hebben gekend en door wie sedert elke Zwolse pastoor tot zijn nadeel met Spitzen werd vergeleken. Spitzen, die door zijn Overijselse geboorte, zijn diverse Overijselse standplaatsen, die als lid en bestuurslid van "Overijsselsen Regt en Geschiedenis" en als medeorganisator van de Overijsselsche Tentoonstelling van 1882 onverbrekelijk met dit gewest en vooral met Zwolle verbonden is, die zich aldaar als geleerde en kunstkenner onderscheidde, die zich als publicist op velerlei terrein bewoog en zich in de strijdvragen van zijn tijd mengde, verkreeg ten slotte als strijder voor de Windesheimer Thomas a Kempis vermaardheid tot ver buiten onze landsgrenzen.

Otto Anton Spitzen werd op 18 oktober 1823 geboren te Steenwijkerwold uit het huwelijk van Hendrik Spitzen en Maria Fleer. Hij werd - 12 jaar oud - door zijn ouders naar Uden (N.Br.) gezonden om er zijn gymnasiale vorming te ondergaan of, zoals men in het Zuiden veelal zei, er zijn "humaniora" te volbrengen. Daar hij in de geestelijke stand wilde treden, bezocht hij vervolgens het seminarie, gevestigd op het Huis Bergh (VHeerenberg), en sedert 1842, toen deze instelling werd opgeheven, dat te Warmond. Toen hij twee jaar later Warmond verliet, was hij 21 jaar en te jong om de priesterwijding te ontvangen. Hij trok toen naar München om er aan de universiteit zijn studies voort te zetten. Hij verbleef er slechts een jaar, maar dat jaar heeft grote invloed gehad op zijn vorming. Hij vond er een veel ruimer horizon en theologen van geheel ander formaat dan hij in zijn vaderland had leren kennen.

Die geestelijke horizon was de vrucht geweest van het levenswerk van Johan Adam Möhler. Na de periode der Aufklarung had deze met zijn beroemde Athanasius l en zijn nog beroemder "Symbolik" de theologie tot nieuw leven gewekt en was hij met zijn "Neue Untersuchungen" de bijbelcritiek van Ferdinand Christian Baur fors in de weg getreden. Spitzen zal in zijn latere geschriften tonen de invloed van Möhler grondig te hebben ondergaan. Toch heeft Spitzen de grote meester niet persoonlijk gekend. Möhler was bij Spitzen's komst te München reeds enige jaren overleden. Zijn werk werd er echter voortgezet door de bijbelexegeten Frans Xaver Reithmayr en Friedrich Windischmann en bovenal door de theoloog Ignaz Döllinger.

Ignaz Döllinger was in deze jaren nog de grote glorie der katholieke theologie in Duitsland. In het volgend decennium echter zou zich in zijn optreden dié liberaliserende tendens vertonen, welke over Syllabus en Vaticaans Concilie tot een breuk met Rome zou leiden. Döllinger werd ten slotte, zoals bekend, in Duitsland het middelpunt van het verzet tegen de dogmaverklaring der pauselijke onfeilbaarheid en geraakte buiten de Kerk, al sloot hij zich niet aan bij de in 1872 gestichte "Altkatholische Kirche". In 1845 echter, toen Spitzen naar München kwam, lag deze ontwikkeling nog verre. Döllinger was de afgod zijner leerlingen en de verering van de jonge Spitzen zal hem zeker niet onthouden zijn gebleven. "Döllinger, helaas, zoo veranderd van dengene, die hij vroeger was", zal hij 25 jaar later verzuchten , als diens breuk met de Kerk op handen is.

In het volgend jaar (1846) keert Spitzen naar Nederland terug om de priesterwijding te ontvangen. Deze wordt hem te Warmond op 6 juni toegediend door Mgr. C. L. baron van Wijckerslooth, heer van Schalkwijk, bisschop van Curium i.p.i., welke in die dagen -het was vóór het herstel der bisschoppelijke hiërarchie - in de Noordelijke Nederlanden als wijbisschop optrad. Na zijn priesterwijding werd Spitzen geplaatst in de geestelijke bediening. Hij vangt aan in Overijsel: een jaar te Zwolle, een half jaar te Lierder-holthuis en enige maanden te Steenwijkerwold, zijn geboorteplaats. Vervolgens werd hij in 1848 kapelaan te Groningen, waar hij tot 1851 is gebleven.

Intussen begon Spitzen de aandacht op zich te vestigen door zijn publicistische arbeid. Zijn artikelen in "De Katholiek", welke in 1843 aanvangen, zijn in de eerste jaren nog niet van veel betekenis en dragen - evenals genoemd tijdschrift zelf - een sterk apologetisch karakter. Voor 't eerst in breder kring van zich spreken deed Spitzen in 1848, het jaar van de revoluties en te onzent het jaar van de grote grondwetsherziening en van de triomf der constitutionele vrijheden. Hij was toen kapelaan te Groningen, waar Hofstede de Groot hoogleraar en schoolopziener was. Deze reageerde in een felle brochure op het gepubliceerde grondwetsontwerp van de bekende commissie van de 17e maart 1848. Hij deed dit met name op de artikelen, die de vrijheid van onderwijs en die van vereniging en vergadering wilden vestigen. Van het eerste vreesde hij, dat het "Nederland ten prooi (zou leveren) aan alle staatkundige en kerkelijke partijen, welke hetzelve zouden willen verscheuren," terwijl hij van het tweede vreesde, "dat men zich in zoo vele kloosterlijke inrigtingen (zou kunnen) vereenigen, als men (verkoos)." Het geheel is een opgeschroefd betoog, door een antipapistische geest gedragen. De schrijver zal niet hebben vermoed, dat een vijfentwintigjarige geestelijke in zijn eigen stad zijn geschrift onder handen zou nemen. Toch gebeurde dit. Spitzen namelijk publiceerde twee maanden later zijn "Brief aan Hofstede de Groot" welke zoveel aandacht trok, dat ze een tweede druk beleefde.

Wat ons in dit tegenbetoog vooral opvalt is het gevoel van verbondenheid, dat Spitzen bezielt, met de "Afgescheidenen", die steeds als geloofsbroeders tegemoet getreden worden. Spitzen's "Brief" lokte in het eigen jaar een reactie uit, bestaande in een anonieme brochure Was deze van Hofstede zelf, zoals Spitzen voor mogelijkheid hield? Zo niet, dan kan ze toch bezwaarlijk buiten zijn voorkennis verschenen zijn. Van dit geschrift valt weinig goeds te zeggen. Eigenlijk is het een onwaardig stuk: het betoog rammelt aan alle kanten, het is gedragen door haat en verblinding en overschrijdt alle maat van fatsoen. Ondanks de anonimiteit reageerde Spitzen erop in de loop van 1849 en schreef zijn "Verantwoording" Was het met opzet, dat zijn toon in waardigheid, zijn betoog in zakelijkheid met die van zijn opponent contrasteerde? In alle geval werd het een nobel getuigenis, waarvan vele passages blijvende waarde hebben. Bij dit mooie boekwerkje steekt Spitzen's brochure "Euphronymus", in datzelfde jaar 1849 verschenen, ongunstig af. Het is gevuld met een langdradige reeks beschouwingen over het onderwijs naar aanleiding van het wetsontwerp-De Kempenaer.

Na drie jaar kapelaan in Groningen te zijn geweest werd Spitzen in 1851 opnieuw naar Zwolle verplaatst. Het rustig rectoraat aldaar had kennelijk de bedoeling hem nog wat tijd voor studie te gunnen. Zijn overheid toch had haar plannen met hem. In datzelfde jaar namelijk werd Spitzen benoemd tot hoogleraar aan het grootseminarie Warmond. De periode van Spitzen's optreden als hoogleraar te Warmond is ons veel minder goed bekend dan de periode van zijn geestelijke bediening, welke voorafging en volgde. Hij doceerde er de dogmatiek, de geloofsleer dus. Wij weten niets over zijn wijze van onderrichting. Over de geest van zijn onderricht kunnen wij iets concluderen uit de "concursen", die hij - evenals zijn collega's -in het voorjaar en in de zomer placht te geven. Deze geest doet nog sterk contra-reformatorisch aan en de apologie spreekt nog een stevig woordje mee. De behandelde onderwerpen zijn ons hier een aanwijzing. De controverse met de reformatie gevoelen we in onderwerpen als: de overlevering als ken-bron van Goddelijke Openbaring naast de bijbel, het primaat van Petrus, de onfeilbaarheid van kerk en paus, de vereisten voor een algemeen concilie, de H. Mis volgens het Concilie van Trente, de leer der aflaten en het karakter der sacramenten. Maar ook de vrijzinnigheid werd bestreden. Deze strijd gevoelen we in onderwerpen als: de mogelijkheid der Goddelijke Openbaring, de ont-toereikendheid der menselijke rede daartegenover, de prediking door Jezus van een bepaald leerstelsel en de bewijskracht Zijner mirakelen voor de goddelijke herkomst daarvan. Toen Spitzen zijn leerlingen onderrichtte in de leer der kerk over de Heilige Geest als onderscheiden persoon in de Heilige Drieëenheid, heeft hij zich daarmee ongetwijfeld gericht tegen de Groninger School van Hofstede de Groot, de school door hem juist in deze zelfde tijd zo krachtig bestreden.

Tot de hoogleraren, waarmee Spitzen te Warmond heeft samengewerkt, behoorden o.a. de praeses F. van Vree, de latere bisschop van Haarlem, C. Bottemanne, eveneens later bisschop van Haarlem, F. Borret en C. Broere. Deze laatste was ongetwijfeld onder hen de belangrijkste en was één der meest sprankelende geesten, die de geschiedenis der katholieke emancipatie heeft aan te wijzen. Van Spitzen's verhouding tot hen allen weten we niets. Zijn verhouding tot Broere moet toch wel goed zijn geweest. Deze heeft van Spitzen getuigd niet te weten, wat hij het meest in hem moest bewonderen, zijn geleerdheid of zijn vroomheid. Broere, die de schilderkunst beoefende, heeft, behalve portretten van Van Vree en andere collega's, in die jaren ook een portret van Otto Anton Spitzen geschilderd.

Zeer zeker heeft Spitzen in zijn denken en streven de invloed van de vijftien jaar oudere Broere sterk ondergaan. Zo valt het in Spitzen's geschriften op, hoe hij - evenals Broere - geneigd is in het pantheïsme de bron van alle dwalingen te zien. Men is het er nu - na een eeuw - over eens, dat de betekenis van Broere gelegen is in zijn bezielende invloed op de generaties van geestelijken, door hem mede opgeleid, en niet in de oorspronkelijkheid of de wijsheid zijner denkbeelden. Zou ook van Spitzen zulk een invloed zijn uitgegaan, als hij zijn hoge post had mogen behouden? In ieder geval was hij qua karakter een geheel ander man dan Broere: nuchterder, bescheidener, ook evenwichtiger. Hij was niet een figuur om op de verbeelding van jonge mensen sterk in te werken. Integendeel, we krijgen de indruk, dat de invloed van zijn wijsheid en welsprekendheid eerst later waarneembaar wordt, en dan op de gerijpte geesten zijner medebroeders. Dit neemt niet weg, dat het heengaan van Spitzen van het seminarie Warmond door Rogier terecht een groot verlies voor deze instelling is genoemd.

Spitzen zelf was graag te Warmond en - ondanks zijn bescheidenheid - is hij er zijn gehele leven een beetje trots op gebleven aldaar hoogleraar te zijn geweest. Bij de uitgave zijner latere boeken zal hij nooit verzuimen dit op het titelblad of in de inleiding te vermelden, ook niet in de werken welke hij publiceerde in het Frans. Hij ging dan ook zijns ondanks en met groot verdriet uit Warmond weg. Wie hebben hem daar verwijderd en wat zat daarachter? Zó rijk aan geschikte krachten voor de leerstoelen der seminaria was de Nederlandse katholieke clerus toen heus nog niet. Als Van Vree bisschop van Haarlem is geworden (1853), als Spitzen is verwijderd (1857), als Broere is overleden (1860) en als Borret om een pastoraat (Vogelenzang) heeft verzocht (1864), zal de betekenis van Warmond in de eerstkomende decennia sterk teruglopen. Was het de ontwikkelingsgang van Döllinger, welke in die dagen zich duidelijker aftekende, die voorzichtigheid deed betrachten met Spitzen, die hem had gekend en bewonderd en wiens mentaliteit ongetwijfeld ruimer en irenischer was dan in zijn dagen in kerkelijk Nederland werd begrepen? Spitzen's vriend mr. J. I. van Doorninck, die twee dagen na Spitzen's dood hem een mooi "In Memoriam" wijdde, schrijft, dat "een wijziging in de seminaria in 1857 ten gevolge (had), dat Spitzen buitengesloten raakte." Gaarne zouden we meer van deze "buitensluiting" weten dan deze onbevredigende verklaring.

In alle geval heeft Spitzen het vertrek uit Warmond zeer pijnlijk gevoeld. Het ontbrak dan ook niet aan pogingen deze pijn te verzachten. Mgr. Van Vree nam hem nog in datzelfde jaar mee op zijn eerste "ad limina-reis" naar Rome. Pius IX benoemde hem bij die gelegenheid tot zijn ere-kapelaan (sacellanus extra muros) welke benoeming Leo XIII later hernieuwen zou. Mgr. Zwijsen - als aartsbisschop van Utrecht - biedt Spitzen het pastoraat aan van de in oprichting zijnde parochie te Heino. Spitzen aanvaardt dit aanbod gaarne. De brief, waarin hij dit doet -nog van Warmond uit - klinkt weemoedig: "Op de vraag van Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid, hoe ik over Heino denk, heb ik mij niet te beraden. Wel moet ik in dezen brief, om opregt te zijn, nog eens betuigen, dat ik niet zonder smart van eene betrekking scheid, waarvoor ik steeds bezondere neiging gevoeld heb, doch wijl dit nu eenmaal zoo schijnt beschikt, en ik pastoor zal worden, is de nieuwe parochie van Heino mij in vele opzigten aangenaam, zoodat ik Uw H. W. dank moet zeggen." Het kerkgebouw te Heino was nog niet geheel voltooid, toen Spitzen er in 't najaar van 1857 arriveerde. Ook de pastorie was nog niet klaar en hij neemt voorlopig zijn intrek bij een zijner parochianen. Eerst begin maart 1858 leest hij de akte van oprichting van de kansel voor.

Van de armzalige toestand van de niettemin in gebruik genomen kerk geeft Spitzen ons zelf een plastische beschrijving, evenals van de zeer ongunstige geldelijke situatie, die hij er aantrof. Hij werd er zozeer met zorgen overladen, dat hij later zeggen zou: "Inderdaad hadde ik alles zo vooruitgeweten, ik ware misschien voor de taak teruggeschrikt en hadde deze pastory niet durven aannemen". Een troost is het hem toen misschien geweest, dat hij, naar de aartsbisschop hem gezegd had, niet bestemd was altijd te Heino te blijven. Zijn correspondentie van zijn parochie uit met de aartsbisschop, tonen ons zijn herderlijke bemoeiingen, tonen ons ook zijn zwakke gezondheid. Om gezondheidsredenen vroeg hij reeds in 1859 om een vaste kapelaan. De aartsbisschop zond hem toen als assistent de kapelaan van Harmelen, J. L. baron van Hugenpoth. Na vier maanden blijkt Van Hugenpoth er zich helemaal niet op zijn plaats te gevoelen en smeekt de aartsbisschop hem niet te Heino kapelaan te maken, want hij heeft behoefte "aan een pastoor, die niet singulier is en het gewone amicale leven der Heeren geestelijken medemaakt." Mogen we uit deze openhartige ontboezeming opmaken, dat Spitzen geen behoefte had aan het gezelligheidsverkeer met zijn collega's? Of gevoelde hij zich in hun midden nog wat onwennig? Eenzelvig of singulier was hij in geen geval. Dit toont ons de herinnering, die na zijn dood enige Zwolse generaties van hem hebben bewaard.

Van Hugenpoth is te Heino niet lang gebleven. In 1862 verkrijgt pastoor Spitzen een nieuwe kapelaan, die hij bij zijn vertrek vier jaar later openlijk danken zal voor de vriendschappelijke omgang, waarmee de kapelaan hem te Heino het leven heeft veraangenaamd. Trouwens, als de eerste jaren van zorg voorbij zijn, voelt Spitzen zich zeer wel thuis te Heino. "Ik stel mij," getuigt hij in zijn afscheidsrede, "op mijn nieuwe standplaats geen genoeglijker dagen voor dan ik hier heb doorgebracht". Hij verwacht het te Zwolle veel zwaarder en verantwoordelijker te zullen krijgen. Hij verheugt zich in de eerbied, de hoogachting en het vertrouwen zijner parochianen, al waren er enkelen, "die hem het leven te Heino verbitterd, somtijds zeer verbitterd hebben", lieden, "die (zijne) goede bedoelingen miskend hebben, bij wie (zijne) ijverigste pogingen niet hebben gebaat".

In de jaren van dit landelijk pastoraat, dat hem ongetwijfeld veel tijd tot meditatie en gebed gelaten heeft, schreef hij een kruiswegoefening, een boek dus van overweging over het lijden des Heeren. Maar ook tot studie restte hem wel tijd en spoedig toonde hij, dat de theoloog en apologeet in hem nog volop leefde. In 1863 namelijk was in de christelijke wereld hevige deining gewekt door de verschijning van Renan's Vie de Jésus, waarin de schrijver een poging doet het goddelijke en bovennatuurlijke uit het leven des Zaligmakers weg te bannen. Tot de velen in de toenmalige wereld, die tegen dit geschrift hun stem verhieven, behoorde ook de bescheiden, maar geleerde pastoor van Heino. Hij wijdt in zijn bestrijding van Renan beschouwingen aan het feit, dat Renan een Christusfiguur construeerde, zoals de tijdgeest die graag zag. "De menschheid wil in Jezus van Nazareth hare eigen apotheose vieren en - hiertoe is zij volgens Renan gerechtigd Spitzen oefent kritiek uit op Renan's gebrek aan oorspronkelijkheid en - tot in details - op de onwetenschappelijkheid zijner methoden. Tegelijk wijdt hij in dit werkje een hoofdstuk aan prof. Scholten te Leiden om aan te tonen, dat diens denkbeelden in wezen met die van Renan samenvallen. In beiden ziet Spitzen uiteindelijk pan-theïsten. Reeds tien jaar vroeger - in zijn Warmondse tijd - had hij, in een reeks artikelen in "De Katholiek" getracht dit met betrekking tot prof. Scholten aan te tonen.

Tegenover dit evangelie van Renan en Scholten, meent Spitzen, kon een "halfslagtig" stelsel als dat van de Groningse School, -door hem altijd met het Arianisme vergeleken -, onmogelijk het woord behouden: "Halfslachtige dingen hadden nimmer levenskracht". In deze en in enkele andere uitlatingen, o.a. in de gedachte, dat de Reformatie ongewild de weg baande naar de halfchristelijke en onchristelijke stelsels der 19e eeuw, voelen we in Spitzen de invloed van Broere.

We vernamen boven terloops, dat Spitzen's gezondheid in zijn eerste Heinose tijd te wensen over liet. Deze schijnt zich nadien gebeterd te hebben. Op een vraag van de aartsbisschop of zijn gezondheid een drukkere pastorie toelaat, antwoordt Spitzen in mei1866 bevestigd. Een half jaar later volgt dan zijn verplaatsing en wordt hij te Zwolle pastoor van de O.L.Vrouwekerk als opvolger van K. van Kessel, de laatste aartspriester van Salland en Drente. Spitzen hield op de derde Adventszondag 1866 te Heino van de kansel een gevoelvolle en mooi verzorgde afscheidsrede.2 Het viel hem hard van Heino te scheiden, zo zeide hij, al ging hij graag naar Zwolle. Vooral ook de zorgen van het begin hadden hem de parochie bijzonder dierbaar gemaakt. In deze rede memoreert hij lief en leed van zijn Heinose tijd, brengt dank aan de velen, die hem vreugde gaven, schenkt vergeving aan de enkelen, die hem griefden en staat in ootmoed stil bij eigen tekortkomingen. "Ik gevoel, helaas, mijn eigen zwakheid en gebrekkigheid. Ik kan mij misschien van mijn veelvuldige plichten niet altijd stipt en ijverig genoeg gekweten hebben; ik kan misschien somwijlen iemand onnoodig leed hebben aangedaan, ik kan misschien somwijlen op eene of andere wijs iemand ontsticht hebben, misschien somwijlen iemand geërgerd. Zooverre dit misschien het geval is, doet het mij innig leed en vraag ik zoowel u als God den allerhoogste om vergeving." Enkele dagen voor Kerstmis aanvaardt Spitzen zijn bediening als pastoor van de O.L.Vrouwekerk te Zwolle. In deze stad heeft hij de laatste drieëntwintig jaren van zijn leven doorgebracht en er al zijn gaven van geest en hart ontplooid.

Vermaard werden toen al spoedig zijn catechismuslessen, die hij na de hoogmis in de kerk voor de jeugd placht te geven, maar die tevens een groot gehoor van volwassenen, ook van andersdenkenden, trokken. Zijn welsprekendheid was er niet een, die bestemd was voor een groot gehoor. Was de kerk in Heino niet groot - in 1922 kwam er een nieuwe en grotere - de kerk te Zwolle was met zijn ruimte en slechte accoustiek voor Spitzen met zijn zachte hoge tenorstem niet te bespreken. Maar stond hij voor een klein gehoor, dan kwamen zijn mooiste talenten tot ontplooiing. Om 't even of hij catechismus gaf aan jeugd en volwassenen, conferenties voor zijn mede-geestelijken of geleerde voordrachten voor Overijsselsen Regt en Geschiedenis, als Spitzen sprak werd er geboeid geluisterd.

Spitzen begon met een algehele reorganisatie van het zangkoor, zette de organist Kees van Bremen aan den dijk en hield daarmee opruiming met heel het orkestachtige onkerkelijke gedoe, waarin kerkzang en kerkkoor waren ontaard. Hij benoemde toen tot organist de jonge J. S. Ponten, die één der vernieuwers van de katholieke kerkzang in ons land is geworden. Tegelijkertijd begon hij in dat eerste jaar (1867) met de voorbereidingen voor de verbouw van zijn kerk. Hij consulteerde dienaangaande de Akense architect Schneider. Er gingen jaren voorbij voor men tot de uitvoering der plannen overging en eerst na Spitzen's dood werden de kapellen voltooid. Veel waardering kunnen wij in deze tijd voor dergelijke neo-gothische toevoegsels aan een mooie en gave middeleeuwse kerk niet meer hebben. Echter waren er andere belangrijke problemen, die al spoedig de aandacht van de nieuwe pastoor opeisten en wel die betreffende de katholieke scholen. Op 22 juli 1868 was het befaamde onderwijs-mandement der Nederlandse bisschoppen verschenen. Een hevige deining in den lande was ervan het gevolg, deining bij de voorstanders van het Openbaar Onderwijs - prof. Opzoomer te Utrecht was hun leider -, deining ook onder de katholieken, bij wie het streven naar een eigen school nog geen traditie geworden was zoals bij de volgelingen van Groen van Prinsterer. Ook in Zwolle was deze deining langdurig merkbaar: een aantal Zwolse katholieken spreken daarvan in een brief aan de aartsbisschop. De opbouw van het onderwijs te Zwolle stelde de parochiële besturen voor zware problemen, financiële maar ook andere, zoals die van een behoorlijke personeelsbezetting. Over de katholieke burgerschool te Zwolle vielen lange tijd veel klachten. Een viertal vooraanstaande Katholieken ontwierpen toen het plan te Zwolle een Jezuïetenschool te vestigen. Zij namen contact op met de provinciaal der Jezuïeten te Rotterdam en verzochten de aartsbisschop om diens bewilliging.

Zij bevalen het plan ook aan aan de vicaris-generaal W. H. A. van Bijlevelt. Deze is er geen voorstander van. Hij is bang, dat een "residentie" der Jezuïeten plaatselijke moeilijkheden met zich mee zal brengen. Hij raadt de bisschop het plan dan ook af en hoopt, dat de beide pastoors, vooral Spitzen, zich afzijdig zullen houden. Intussen was het plan in Zwolle bekend geworden en wekte een hevig verzet onder de neringdoenden. Ook zij wenden zich tot de aartsbisschop, nu met het verzoek de Jezuïetenschool niet toe te staan. Zij doen dit in een lang en larmoyant schrijven. Hun motieven zijn niet al te edel. Ze zijn bang voor hun broodje. De verhouding tussen Katholieken en Protestanten in Zwolle is goed, zo betogen zij. Zou men echter de Jezuïeten in Zwolle halen, dan is het daarmee gedaan. "Dit behoeft wel geen betoog, schrijven ze, als slechts de denkwijzen der Protestanten aangaande deze hooggeschatte orde worden in aanmerking genomen." Zij verwijzen naar de Aprilbeweging! Die agitatie was echter landelijk en tijdelijk. De rampspoed, die nu voor de deur staat zal een locaal en permanent karakter dragen. Het aantal ondertekenaars was niet minder dan vierendertig.

De aartsbisschop was niet voor het plan en evenmin pastoor Spitzen. De laatste ontwerpt een eigen plan, dat echter spoedig door een tweede vervangen wordt. Het wekt opnieuw in de stad een hevige deining onder de Katholieken, van wie een groot deel de door de aartsbisschop vastgestelde hoge schoolgelden niet wil betalen. Zij komen in vergadering bijeen en doen tegenvoorstellen bij wijze van ultimatum. Spitzen weet met veel tact een compromis te bewerken. Uit de correspondentie met het aartsbisdom blijkt zijn gematigdheid daarbij en zijn begrip voor het standpunt van anderen. Als het compromis bereikt is, schrijft hij aan de vicaris: "Uw Hoog Eerwaarde kan zich niet verbeelden, hoe alles in rep en roer was en hoe wij op alle manieren hebben moeten schipperen. Thans zijn allen over de schoolregeling tamelijk tevreden." Dit rep en roer was echter voor Spitzen geen aanleiding zijn publicistische arbeid te onderbreken. In een P.S. van diezelfde brief aan de vicaris schrijft hij: "Eindelijk hoop ik U Hoog Eerwaarde weldra een exemplaar te kunnen zenden van mijn werkje." Dit werkje is zijn antwoord aan Mgr. F. A. Ph. Dupanloup, bisschop van Orleans. We zijn dan in de eerste maanden van 1870. Op 8 dec. tevoren was te Rome het Vaticaans Concilie geopend. Bekend is, hoe op dit concilie 's pausen onfeilbaarheid, wanneer deze een plechtige bindende uitspraak doet in zake geloof of zeden, tot kerkelijk dogma werd verklaard. Velen hadden reeds te voren daartoe de wens geuit. Er waren er echter ook, die zich verzetten, hetzij op theologische gronden, hetzij omdat ze de afkondiging in de gegeven omstandigheden inopportuun vonden.

In Duitsland was de meest op de voorgrond tredende tegenstander Ignaz Döllinger. In Frankrijk, waar Gallicaanse tendensen na-werkten, waren de tegenstanders talrijker. Algemeen opzien baarde daar het verzet van de grote Dupanloup, één der belangrijkste figuren van het Franse episcopaat, internationaal befaamd om zijn vroege bemoeiingen met het sociale vraagstuk. In een schrijven, gericht aan de geestelijkheid van zijn bisdom, maar kennelijk bestemd voor het publiek, verklaarde hij de door velen verlangde dogmaverklaring ontijdig en - al wil hij zich over de aangelegenheid zelf in generlei zin uitlaten - bestreed hij ze in feite. Enige andere Franse bisschoppen vielen hem bij. Uiteraard liet dit geschrift niet na onder sommige Katholieken ontsteltenis te wekken, en het was om klaarheid te brengen in de dreigende verwarring, dat Spitzen naar de pen greep, zowel om Dupanloup te weerleggen als om over de dogmaverklaring in 't algemeen en over de onderhavige in 't bijzonder een verhelderende uiteenzetting te geven. Als oudhoogleraar te Warmond, zo zegt hij, voelt hij zich daartoe bijzonder geroepen. Hij was overigens de enige niet in ons land, die aldus reageerde. Ook C. J. M. Botte-manne, de latere bisschop van Haarlem en Spitzen's oud-collega te Warmond, bestreed de beschouwingen van Dupanloup Spitzen's geschrift van 1870 is misschien het meest zuiver theologisch en kerkhistorisch werk, door hem geschreven. Mocht eertijds Spitzen uit Warmond verwijderd zijn onder invloed van Döllinger's geestelijke ontwikkeling, dan toont dit werkje -evenals te voren zijn boek tegen Renan -, duidelijk aan, dat die verwijdering ten onrechte is geschied.

Met zijn strenge orthodoxie en parate strijdbaarheid verenigde Spitzen echter een verdraagzaamheid en openheid, welke modern aandoen. Hij onderhield niet alleen een hechte vriendschap met de rabbijn dr. Fraenkel - zijn bekwaamheid als hebraïcus zal dit mede bevorderd hebben -, met de hervormde predikant ds. Vermeer en met vele anderen uit allerlei kringen en overtuigingen, maar hield in zijn latere levensjaren zijn pastorie geopend voor de leden van Overijsselsen Regt en Geschiedenis, die van gedachten wilden wisselen over historische onderwerpen. "De even bescheiden als kundige man - zegt hierover Van Doorninck -werd met zoo menige vraag op zijn terrein lastig gevallen en zelden of nooit bleef hij het antwoord schuldig." Van Overijsselsen Regt en Geschiedenis werd hij een trouw lid, dat zelden op de bijeenkomsten ontbrak. In 1882 maakte hij deel uit van het comité, dat in opdracht van genoemde vereniging de Geschiedkundig-Overijsselsche Tentoonstelling in het leven riep. Dat de afdeling kerkelijke zaken meer dan 300 stukken omvatte, uit alle streken der provincie bijeengegaard2, was zijn werk 3. De tentoonstelling is de bakermat geworden van het Overijsselsen Museum.

Intussen had Spitzen twee jaar te voren het boek doen verschijnen dat hem in het gehele land plotseling bekendheid had gegeven "Thomas a Kempis als schrijver der Navolging van Christus gehand-haafd" en waarmee hij zich geworpen had in een strijd, die, begonnen in de 17de eeuw, steeds na een periode van rust weer was opgevlamd. "Kempisten" en "Gersenisten", verdedigers van het auteurschap der Imitatio respectievelijk van de Windesheimer monnik Thomas a Kempis en de Benedictijner abt Johannes Gersen stonden tegenover elkaar. Juist in de voorafgaande decennia had een aantal Nederlandse Kempisten zich niet onbetuigd gelaten, zoals Kist, Royaards, Moll en Acquoy. Tegenover hem echter had zich hier te lande Busken Huet geplaatst, die Franse en Italiaanse Gersenisten bijviel in één zijner Litterarische Fantasiën(1861).

We krijgen uit de Inleiding van het boek de indruk, dat de onveranderde herdruk hiervan in 1878 en een vondst, door Spitzen gedaan in de Emmanuelshuizen te Zwolle, waarvan hij ambtshalve collator was en waarvan hij geheel de boeken- en handschrif-tenschat heeft bestudeerd, voor hem de onmiddellijke aanleidingen geweest zijn zich in de strijd te mengen. Spitzen betoogt in genoemd boek, dat de Imitatio niet bestaan heeft voor 1400, dat de vier boeken ervan achtereenvolgens vóór 1427 verschenen en ± 1450 in een vaste bundel werden bijeengebracht, vervolgens dat aan het Latijn der Imitatio de Nederlander onmiddellijk is te herkennen en dat deze Nederlander tot de orde van Windesheim heeft behoord, en ten slotte dat deze Windes-heimer Thomas a Kempis is geweest.

Spitzen's betoog is helder, zijn kennis verbluffend. In het volgend jaar (1881) legt hij daarvan opnieuw getuigenis af in de mooie studie die hij toen publiceerde over de Biblia pauperum, de z.g. armenbijbels. Hij publiceert in diezelfde tijd een reeks correcties en aanvullingen van zijn boek aan welke uitgave hij tien geestelijke liederen toevoegt, afkomstig van Thomas a Kempis en door Spitzen in handschrift in de Emmanuelshuizen ontdekt. Spitzen heeft veel voldoening gehad van zijn groot werk en vond bij vele geleerden bijval. Acquoy recenseerde het zeer gunstig. Zelf schrijft Spitzen enige jaren later, dat hij - lettend op wat partij geest, patriotisme en vooroordeel vermogen - niet zulk een bekering van oude tegenstanders had verwacht. Onder hen prijst hij bijzonder Busken Huet.

Velen achtten toen de kwestie definitief afgedaan. Latere jaren zouden leren, dat men zich hierin vergist had. Doch reeds aan Spitzen zelf werd het spoedig duidelijk, dat hij te optimistisch was geweest. Enige jaren na zijn zege zag Spitzen zich opnieuw genoopt naar de pen te grijpen. De Gersenist Veratti, hoogleraar te Modena, had zijn boek gelezen, doch was Thomas a Kempis blijven "vervolgen". Om hem tot beter inzicht te brengen schrijft Spitzen in 1884 - nu in het Frans - "les Hollandismes de lÍmitation de Jesus Christ" waarin de met Latijnse woorden weergegeven Nederlandse uitdrukkingen -dus die, welke een Nederlandse auteur verraden - voor de Italiaan breed geëtaleerd worden. In datzelfde jaar schrijft hij ook een boek - weer in het Frans - tegen de dominicaan Denifle , de bekende subarchivaris van het Vaticaan. Deze zag als schrijver van de Imitatio een Duitse reguliere kanunnik, geheel buiten de Win-desheimse kring. Spitzen vertoont nu enige tegenzin. Denifle's aanvallen waren, naar zijn oordeel, fel en onrechtvaardig geweest. "Si je me permets de publier encore une opuscule concernant l'auteur de l'Imitation de Jésus-Christ, c'est que je m'y vois forcé", zo vangt hij aan.

Ondanks deze tegenzin heeft de kring van Windesheim Spitzen tot het einde toe geboeid. In de jaren 1886, 1887 en 1888 houdt hij zich in "De Katholiek", het tijdschrift waarin hij sedert 1846 veel had gepubliceerd en waarvan hij sedert 1852 medewerker was, bezig met de figuur van Hendrik Mande, die - eerst hofschrijver van de latere graaf Willem VI van Holland - nadien monnik te Windesheim werd. Hij publiceert daarbij een fragment uit Mande's "De raptibus", door hem in een handschrift van de Emmanuels-huizen te Zwolle teruggevonden.

Het zal voor Spitzen in deze jaren niet alleen een grote voldoening geweest zijn eer in te leggen met zijn publicistische arbeid, maar ook zijn velerlei verdiensten door zijn geestelijke overheid erkend te zien. In 1886 namelijk werd hij benoemd tot kannunik van het Metropolitaan Kapittel van Utrecht. Niet veel jaren zijn hem toen nog beschoren geweest. Maar tot het laatste toe heeft hij gearbeid voor zijn parochie en voor de wetenschap. Korte tijd voor zijn dood hield hij voor Overijsselsen Regt en Geschiedenis een voordracht over het grafschrift van Proost Dirk van Wassenaar in de St. Janskerk te Utrecht. Deze studie was de laatste, welke hij publiceerde. Hierin stelde hij zijn lezing van het tot dan toe onontcijferde grafschrift tegenover die van W. Pleijte, de conservator van het Leidse museum.

Spitzen stierf onverwacht op donderdag 1 augustus 1889. Van de verschillende herdenkingen, die na zijn dood in bladen en tijdschriften verschenen, is de mooiste en meest persoonlijke, die van zijn vriend J. L van Doorninck. Terecht heeft deze daarin gezegd, dat Spitzen's blijvende betekenis - dus zijn betekenis ook voor volgende geslachten - gelegen is geweest in zijn studie en publicaties betreffende het auteurschap van de Imitatio. Voor de -nu bijna uitgestorven - Zwolse generaties echter, die hem nog hebben gekend, heeft de herinnering aan zijn intelligente, vrome, eenvoudige en harmonieuze persoonlijkheid nooit willen verbleken.

Uit: Overijsselse Portretten Jubileumbundel 1958.

Deze biografie werd geschreven door Dr. F. B. A. Tangelder

Geboren:   18-10-1823 Steenwijkerwold
Overleden:   01-08-1889 Zwolle
Vader:   Hendrik Spitzen
Moeder:   Maria Fleer
Publicaties:   Hij schreef: Open Brief aan den hoogleeraar Hofstede de Groot, Zwolle 1848; Verantwoording van mijn open brief, ib.; Euphronimus, het lager onderwijs, ib.; Vijfde Evangelie of het Evangelie volgens Ernest Renan en den Leidschen Hoogleeraar Scholten, ib. 1863; Thomas à Kempis, als schrijver der Navolging van Christus gehandhaafd, 1880; Nalezing daarop, 1881; Les Hollandismes de l'Imitation de Jésus-Christ, 1884; Nouvelle défense de Thomas à Kempis, (alle vier te) Utr. 1884. Voorts enkele zuiver theol. werken en bijdr. in De Katholiek en in 't Archief van het Aartsbisdom van Utrecht, in de Mededeelingen der Vereeniging tot beoefening van Overijsels Recht en Geschiedenis, in Het Dompertje van den Ouden Valentijn, enz.
Laatst bijgewerkt op:   17-04-2014