J.J. van Deinse (1867-1947)


Jacobus Joännes van Deinse (roepnaam Ko) werd op 6 januari 1867 in Enschede geboren. Zijn vader, geboortig uit Hulst (Zeeuws-Vlaanderen), was doctor in de Wis- en Natuurkunde en werd in 1863 benoemd tot directeur van de pas opgerichte Twentsche Industrie- en Handelsschool. Aan dezelfde school behaalde de jonge Van Deinse zijn diploma in 1885. In tegenstelling tot een oudere broer en zus kreeg hij niet de kans te gaan studeren. Zijn nogal zwaarmoedige vader meende dat hij zich een derde studerend kind financieel niet kon veroorloven. In 1887 behaalde Ko van Deinse zijn onderwijzersakte. Hij oefende zijn beroep slechts één jaar uit. In 1889 werd hem een leidende functie bij de firma Gerh. Jannink en Zn. aangeboden. Gedurende 41 jaar was hij chef du bureau en fungeerde hij als vertrouwensman van drie generaties Jannink.

Van Deinse had een vriendenkring waarin sport een voorname rol speelde. Er werden door de vrienden lange wandeltochten door Twente gemaakt. Toen Jan Bernard van Heek in 1885 het voetbalspel naar Enschede haalde, werd van Deinse al snel secretaris van de Enschedesche Football Club. Ook was hij actief binnen de Gymnastiek en Schermvereniging Achilles. Sport was nog een elitaire bezigheid in die dagen. Van Deinse bouwde er zijn contacten op binnen het fabrikantenmilieu, die hem later nog van pas zouden komen.

Op 15 mei 1896 trouwde Ko van Deinse met Hendrika Bloemendaal. Zijn schoonvader Sander Bloemendaal was hoofdonderwijzer en actief in het verenigingswerk (onder meer volksbibliotheek, Rederijkerskamer Demosthenes) en was erelid van de vrijmetselaarsloge Tubantia. Hendrika Bloemendaal stelde, met haar inzet op de achtergrond, Ko van Deinse in staat zijn vele functies te vervullen en vele activiteiten te ontplooien.

Ondanks zijn Zeeuwse bloed bleek van Deinse zeer geinteresseerd in alles wat met het verleden van Twente te maken had. In 1889 was hij mede-samensteller (met zijn oud-leraar A. Benthem Gzn. en zijn a.s. schoonvader S. Bloemendaal) van de Gids van Enschede en Omgeving. De Oudheidkamer Twente werd in 1905 opgericht door J.J. van Deinse, Mr. G.J. ter Kuile en H.B. Blijdenstein. Met G.J. ter Kuile ging van Deinse op zoektocht naar 'oudheden' in Twente. Over zijn vondsten maar ook over Twentse folklore en geschiedenis hield van Deinse in de eerste vier decennia van de twintigste eeuw ontelbaar vele lezingen. Hij sprak voor zeer uiteenlopende gezelschappen en op vele plekken. Niet alleen in Twente hield hij zijn lezingen, maar in heel Nederland en zelfs in Münster en in andere Duitse steden. Voor hem zelf moet zijn lezing op 3 maart 1931 in London voor de Dutchclub een hoogtepunt zijn geweest. Hij was uitgenodigd door dominee J. van Dorp, die in 1929 vanuit Enschede het ambt van dominee van de Nederlandse kerk in Londen had aanvaard. Van Dorp was eerder speciaal op voorspraak van van Deinse tot dominee benoemd van de Hervormde kerk in Enschede. Behalve dat het een eer was een dergelijk verzoek te krijgen voor het houden van een lezing, was het een van de weinige lezingen waar hij ook nog een aardig bedrag aan overhield. In de jaren dertig sprak hij zelfs voor de radio (VPRO en KRO).

Van Deinse onderhield een uitgebreid 'netwerk', was gemakkelijk en plezierig in de omgang en kon goed spreken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij vaak werd gevraagd om voorzitter te worden van een vereniging of (ad hoc) comité of feestcommissie. Hij rolde telkens van het een in het ander. Tot zijn vele voorzitterschappen behoorden onder meer die van de al genoemde Oudheidkamer Twenthe, Duitsch-Nederlandsche Vereniging, Vereniging Koninginnedag, toneelvereniging Tubantia. Hij was bestuurslid van onder meer de Vereeniging voor Overijsselsch Regt en Geschiedenis, het Nederlandsch Openlucht Museum te Arnhem en de Openbare Leeszaal en Bibliotheek te Enschede. Ook binnen de Hervormde kerk bekleedde hij verschillende functies. Met de gemeente Enschede, i.c. de burgemeesters Bergsma, Rückert en Veen, was de verstandhouding uitstekend. Daarbij tekent zijn zoon S. van Deinse aan: 'de samenwerking met de gemeente liep altijd via de secretaris, zijn vriend C.F. Klaar, die er voor zorgde dat B en W de juiste beslissingen namen'.

Naast zijn gewone dagtaak bij Jannink en het vervullen van zijn vele functies, probeerde hij zoveel mogelijk de boer op te gaan. Zijn vriend G.J. ter Kuile sr. schrijft in zijn In memoriam voor de Vereeniging Overijsselsch Regt en Geschiedenis: 'En zo zijn wij beiden, dikwijls ook in gezelschap van vriend C.J. Snuif, jaren lang te voet of per fiets er op uit getrokken, 'de boer op'. Daar hij met iedereen direct gemeenzaam, 'kunnig', was, werd overal gepleisterd, 'gemeierd', geinterviewd, en maar vragen, maar uithoren naar de vroegere gesteldheid van 't voorvaderlijk erf, naar de waargerechtigheid, naar oogstgebruiken, levensverhoudingen, plechtigheden bij 's levens hoogtijden en kerkelijke hoge feesten. En dan maar noteren, voorlopig vastleggen'. Behalve informatie inwinnen bij de boerenbevolking, hield hij zich ook bezig met opgravingen en onderzoek naar grafheuvels, urnenvelden en landweren. De vondsten werden geschonken aan de Oudheidkamer Twenthe. Ook anderen vergezelden hem, onder meer Cato Elderink met wie hij veel contact had. In latere jaren trok hij veel op met Willem Dingeldein en Albert Meyling, die graag met hun dertig jaar oudere leermeester op pad gingen - Dingeldein met zijn fototoestel in de aanslag en Meyling met zijn camera.

Van Deinse publiceerde over zijn opgedane kennis in kranten en tijdschriften. In 1922 verscheen zijn levenswerk 'Uit het land van katoen en heide'; in 1925 verscheen de tweede vermeerderde druk. In 1939 kwam het tweede deel van dit werk uit en in 1950 verzorgde Willem Dingeldein een verzamelde uitgave. De duizendpoot van Deinse schreef ook gelegenheidsgedichten op aanvraag en bemoeide zich met de aankleding van folklorische evenementen. Zijn creativiteit kon hij op vele manieren kwijt.

Van Deinse is in bredere kring vooral bekend door zijn Twents Volkslied en de Twentse vlag. Het Twentse Volkslied dichtte hij rond 1926, maar hij vond het zelf 'niet zo'n grote verdienste'. Toch sloeg het meteen aan. Naar de melodie hoefde hij niet lang te zoeken - in de fabrikantensociëteit (ook wel de Aapclub genoemd) werd het Duitse studentenlied 'Ergo bibamus' vaak gezongen. Op de melodie van dit lied dichtte van Deinse een nieuwe tekst. Na het succes van het Twentse Volkslied werd van Deinse ook gevraagd een Twentse vlag te bezorgen. Er van uitgaande dat de Twentenaren van oorsprong Saksers waren koos hij voor het Saksisch ros als zinnebeeld van Twente.

Op 17 juni 1930 werd hij conservator van het Rijksmuseum Twenthe, waarin ook de Oudheidkamer Twenthe werd ondergebracht. Er waren bezwaren tegen zijn aanstelling, met name vanwege zijn leeftijd (hij was toen 63 jaar), maar ook omdat hij niet 'wetenschappelijk onderlegd' zou zijn. Ook van Deinse zelf zag er tegen op. Zijn vriend Jan Herman van Heek pleitte met succes voor van Deinse: 'Hij is als het ware de aangewezene om de belangstelling voor cultuur en het verleden van deze streken op te wekken en te leiden, vooral waar dit de bredere lagen der bevolking en scholen betreft'. Tijdens zijn jaren bij het Rijksmuseum Twenthe werd hij bijgestaan door de kunsthistoricus Prof. Dr. Karl Westendorp, met wie hij ook het Duits-Nederlandse tijdschrift Noaberschopp uitbracht. In 1937, op zijn zeventigste verjaardig, stopte hij als conservator.

Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag werd hij zeer uitgebreid gehuldigd. In 1925 had hij al de onderscheiding van Officier in de orde van Oranje-Nassau ontvangen. Zo energiek en positief als hij gedurende zijn werkzaam leven alles aangepakt had, zo fysiek afgetakeld en somber was hij de laatste jaren van zijn leven. 'Het waren tevele jaren', zo beschreef zijn zoon de laatste periode.

Herman Haverkate sr. beschrijft in Jaarboek Twente de begrafenis van Ko van Deinse: 'De dodenklok van de Lasonderkerk dreunde over Enschede, toen zijn stoffelijk overschot werd uitgedragen. Alles wat Twente was liep in de rouwstoet mee. Felle jachtsneeuw stoof over de Oosterbegraafplaats. De dodenakker ging schuil onder een wit kleed en bedekte het zand naast de open grafkuil. Niemand van de aanwezigen verbaasde zich erover dat een rode vlag met het Saksische ros de kist bedekte. Ik denk dat dit de enige en laatste keer geweest is dat het Twentse bewustzijn zich op deze wijze manifesteerde. Aan het einde van de plechtigheid trad een dubbel-mannenkwartet uit Oldenzaal, onder leiding van Toon Borghuis, in de sneeuwstorm naar voren en hief het Twentse volkslied aan.' F.G.H. Löwik beschrijft in zijn dissertatie 'De Twentse beweging' (2003) van Deinse als de 'primus inter pares' onder de toenmalige regionalisten en trait-d'union met de fabrikantenkringen en regionalisten van bescheidener komaf. Zijn collega-regionalisten hadden wellicht (minstens) evenveel kennis van de Twentse cultuur en geschiedenis, maar de als een deftig heer overkomende, maar flamboyante, van Deinse was daarnaast belangrijk door zijn vele contacten en initiatieven op dit terrein.

Op 1 juni 1996 gingen de (als vereniging zelfstandig blijvende) Oudheidkamer Twenthe en de door Adriaan Buter opgerichte Twente Akademie op in het Van Deinse Instituut. De naam was bedacht door Adriaan Buter. Het instituut zou ruim tien jaar bestaan en is vanaf 2007 een onderdeel van Twentse Welle.

Auteur: Tonny Peters