Johan Buursink (1908-1993)


Johan Buursink werd geboren op 30 juni 1908 aan de Ribbeltsweg in Enschede. Zijn vader overleed in augustus van hetzelfde jaar aan de gevolgen van TBC. Hij was de jongste van zes kinderen en werd door zijn moeder reformatorisch opgevoed. Eén van zijn ooms echter was een fanatieke volgeling van Domela Nieuwenhuis. Beide levensovertuigingen zou hij later in zich verenigen. Op jonge leeftijd wist hij al wat hij wilde worden: schrijver of journalist. Rond zijn twintigste leverde hij bijdragen (boekbesprekingen) aan Driemaandelijksche Bladen, een tijdschrift gewijd aan volkscultuur en dialect. In de jaren dertig had hij een kantoorbaan bij een Joods bedrijf in Enschede.

Vlak voor de oorlog verscheen Buursink’s eerste artikel in de Tubantia. Tijdens de oorlog raakte hij betrokken bij het communistisch verzet en schreef hij voor het illegale blad De Waarheid. De Twentse editie van de Waarheid was aanvankelijk wegens het verschijningsverbod van de meeste regionale kranten met 30.000 abonnees vlak na de oorlog de grootste krant van Twente. Johan Buursink werd chef-redacteur voor het regionale nieuws. Het gewenste rechtlijnige denken en het zich totaal in dienst moeten stellen van het communistisch ideaal vormde een veel te strak keurslijf voor de onafhankelijke en eigenzinnige Buursink. Hij kapte met het redacteurschap en werd free-lance journalist/publicist. Opmerkelijk is dat hij vrijwel nooit iets heeft losgelaten over zijn communistische tijd. Alleen zijn niet-gepubliceerde memoires zouden uitsluitsel kunnen geven.

Hij verdiende zijn brood met schrijven voor tijdschriften op het gebied van textiel en mode. Hij bezat veel kennis over textiel en kleding en schreef in 1954 ‘Er werd een school gebouwd’ over de Textielvakschool in Enschede. Zijn grote passie was echter de regionale geschiedenis en volkscultuur maar vooral ook de taal zoals die in Enschede en verre omgeving gesproken werd. Tussen 1950 en 1980 schreef hij meer dan 100 artikelen over bovengenoemde onderwerpen voor tijdschriften als De Mars, Twenterlaand en -leu en -lèven, Driemaandelijkse Bladen en voor Jaarboek Overijssel, Jaarboek Twente (waarvan hij ook eindredacteur was) en Textielhistorische Bijdragen.

Behalve zijn vele korte artikelen waarmee hij tijdschriften en kranten vulde en waarvan hij moest leven, publiceerde hij ook een aantal boeken. Het boek waarin zijn veelzijdigheid het meest naar voren komt is het merkwaardige werk ‘Het boek van de Lonneker Landbouw’. Dit 480 pagina’s tellende boek zou oorspronkelijk in 1951 verschijnen als jubileumboek voor Lonneker Landbouwcoöperaties. Het werd echter in 1956 uitgegeven omdat Buursink er de tijd voor nam om er veel meer van te maken dan een jubileumboek: het werd een mengeling van droge feiten en fictie. De opsomming van historische feiten werd afgewisseld met de novelle over de Lonneker boer Gait-Jan, en sociologische bespiegelingen over de ontwikkelingen op het platteland werden gelardeerd met gedichten.

Aan vrijwel elke literaire discipline heeft hij bijdragen geleverd. Hij schreef essays, novellen, feuilletons, lange en korte verhalen, verhalen in dialect, schetsjes, een jeugdboek (‘De smokkelaars van Oosterhorst’, 1953), en toneel. Een weerslag van zijn diverse literaire uitingen vormt het in 1950 uitgegeven ‘’n Rozendaans : allerhaand oet Twentelaand’.

Zijn bijdragen over spelling en dialect worden belangwekkend genoemd, met name zijn ‘Experimenteren met de mooderspraok, een onderzoek naar de mogelijkheden van het dialect’ dat in het Jaarboek Overijssel verscheen. Buursink wilde dat er op een volwaardige manier in dialect zou moeten worden geschreven. En voegde de daad bij het woord. Zoals ‘Meester’ G.B. Vloedbeld al eerder had gedaan (b.v. Elckerlijc in Twentse spraok) vertaalde ook Buursink klassieke en bijbelse teksten in Het Twents. Merkwaardig is het dan ook dat ‘De boetenste duusternis’ van Johan Gigengack, de eerste serieuze poging om een literaire roman te schrijven in het Twents, door Buursink uiterst slecht werd ontvangen. Voor de RONO kraakte hij het boek totaal af. Het had tot gevolg dat Gigengack stopte met zijn activiteiten als uitgever van een regionaal tijdschrift en het publiceren van romans in dialect. De vrijmoedigheid waarmee Gigengack onderwerpen als sexualiteit, homofilie etc. aan de orde stelde paste blijkbaar niet binnen de conservatieve opvattingen op dit gebied van Buursink.

Was het leven van de ‘gewone Enschedeër’ de bron waaruit hij putte voor zijn verhalen, ook de recente geschiedenis van de laatste honderd jaar van zijn stad had zijn warme belangstelling. In 1962 publiceerde Buursink ‘Stadverbranden’ over de grote brand van Enschede, die honderd jaar daarvoor plaatsgevonden had. In 1975 liet hij een ‘Historisch stads-album van Enschede’ verschijnen over het Enschede van zijn jeugd.

In zijn artikel in Jaarboek Twente 1995 vermeldde Paul Abels nog een interesse van Johan Buursink. Hij was een actief spiritist en paranormaal begaafd. In 1948 schreef hij het boekje "Hoe moeten wij leven?" met beschouwingen over magnetisme, helderziendheid en aardstralen. Het werd uitgegeven door 'Paranorm', gevestigd op Javastraat 79, het woonadres van Johan Buursink tussen 1935 en 1980.

Buursink werd door sommigen beschreven als een Einzelgänger, een individualist die de confrontatie zocht, een polemist. Toch kwam hij graag onder de mensen, hield onderhoudende lezingen en was actief in het verenigingsleven. Zo was hij erelid van de folklorezangers en –dansers De Krekkel en mede-oprichter van de Historische Sociëteit Enschede-Lonneker.

In de regionalistische beweging jaren van de jaren vijftig speelde Buursink een belangrijke rol naast regionalisten als burgemeester Kolenbrander van Tubbergen, Vloedbeld, Gigengack, Buter, Entjes, Bartelink en natuurlijk Jan Jans. In deze periode ontstonden tal van initiatieven. Tijdschriften werden opgericht (Twenterlaand en -leu en -sproake en de opvolger Twentse Post) maar ook een ‘Twentse schrieverskreenk’, de Algemene Vereniging Twente, de RONO (regionale omroep) etc.

In een necrologie werd Buursink de ‘spreekbuis van het gewone volk’ genoemd. Dat hij dit was kwam het duidelijkst naar voren in zijn rubriek in de Twentsche Courant ‘Regiobrievenbus’ waarin hij tussen 1970 en 1980 verslag deed van zijn uitgebreide briefwisselingen met de ‘gewone’ lezers en lezeressen over onder meer de betekenis en de spelling van de Twentse woorden.

Een man die telkens zijn pad kruiste was Adriaan Buter. Samen vormden zij de redactie van ‘Twenteland, orgaan voor de Twentse beweging’ (1948), waarvoor Buursink het autobiografische dialectverhaal ‘Jungske’ schreef. Samen richtten zij de Algemene Vereniging Twente op. Allebei waren ze veelschrijvers en in zekere zin concurrenten van elkaar. De altijd in het pak gestoken Buursink en Buter, die wars was van ieder uiterlijk vertoon, waren elkaars tegenpolen maar respecteerden elkaar zeker. In ‘Stad en Land’, orgaan van de Twente Akademie, schrijft Adriaan Buter in 1994 een In memoriam: 'In december vorig jaar is Johan Buursink gestorven. Een maand eerder had hij mij gebeld. Dat had hij in jaren niet gedaan. Onze schaarse contacten beperkten zich tot mijn bezoeken aan de Glanerbrugse vesting waarin hij zich had teruggetrokken. Een beetje verbaasd, maar vooral verheugd over zijn hervonden activiteiten luisterde ik door de telefoon naar het verhaal van zijn leven. Het was niet de eerste keer dat ik dit hoorde, maar het was wel een indringende samenvatting van wat hem driekwart eeuw lang had gedreven. Nu weet ik waarom hij dit contact heeft gezocht. Johan Buursink is dood. Het leven heeft hem kennelijk lang genoeg geduurd. Wie hadden hem nog nodig, wie kon hem nog liefde bieden, behalve zijn ver van Twente wonende kinderen? Zijn lichaam en zijn geest hebben niet verder gewild of gekund en na een kort ziekbed heeft hij, ruim 85 jaar oud, deze wereld verlaten. Het telefoontje naar mij, ooit zijn jongere medestrijder en door hechte vriendschap met hem verbonden, moet als een afscheid zijn bedoeld. Want de contacten mochten zijn verminderd, de vriendschap en de wederzijdse bewondering waren gebleven. Opgegroeid in uiteenlopende levenssferen en van verschillende levensovertuigingen, kwamen onze levenswegen toch samen en bleven zij parallel lopen. Op het ontmoetingspunt stond de wegwijzer naar een modern Twente, waarin de identiteit van het oude gewest herkenbaar zal blijven.'

Buter wijst erop dat veel van het werk van Buursink onder het stof van de tijd is terechtgekomen. Maar het 'Boek van de Lonneker landbouw' zal altijd een uniek werk blijven, zijn essays over de moodersproake en zijn vertaling-experimenten zullen als pionierswerk erkend blijven. Hij schreef niet zoveel gedichten, maar kwalitatief zijn ze uitzonderlijk goed. Hij was één van degenen die het Twentse en Oostnederlandse regionalisme uit de sfeer van behoudzucht en conservatisme hielden. Met zijn initiatieven hielp hij de beweging van Twenterlaand en -leu en -sproake gedurende een groot aantal jaren springlevend te houden.

Auteur: Tonny Peters 
Geboren:   30-06-1908 Enschede
Overleden:   03-12-1993 Glanerbrug
Vader:   Jannes Buursink
Moeder:   Alberta Johanna Aldenkamp
Echtgeno(o)t(e):   Jantina Wietske (Tine) Joldersma
Publicaties:   - 'n Rozendaans : allerhand oet Twentelaand : een bundel schetsen en fragmenten in de Twentse streektaal. 1950. - Het boek van de Lonneker landbouw. 1956. - Stadverbranden. 1962. - Twente : platteland en stedenband. 1971. -Historisch stadsalbum van Enschede. 1975.
Laatst bijgewerkt op:   20-11-2014