Herman Finkers


Herman werd in 1954 geboren in Almelo. Het grootste deel van zijn kinderjaren bracht hij door in De Riet (Reigerstraat). Zijn vader die zich had opgewerkt van banketbakker tot eigenaar van een meubelzaak, kwam bij een transactie in bezit van een piano, een aanleiding om de kinderen pianolessen te laten volgen. Rond zijn zevende jaar werd Herman ernstig ziek. Zijn ouders kochten een relikwie van de Heilige Antonius van Padua en lieten een noveen houden voor Maria. Bovendien bezocht Herman twee keer per week de paragnost Gerard Croiset in Enschede. Na enkele maanden was Herman tegen de verwachting in geheel genezen.

Na de rooms-katholieke jongensschool volgde Herman de HBS, alwaar hij volgens eigen zeggen slechts opviel door zijn stotteren, en studeerde daarna Psychologie in Groningen. In het eerste studiejaar deed hij cabaret-ervaring op. Het idee om cabaretier te worden kwam toen niet bij hem op. In deze jaren leerde hij zichzelf naast piano en gitaar ook harmonica en mandoline spelen. Toen hij, spelend in een folkgroepje, gedwongen werd op toneel twee nummers aan elkaar te praten en hij met zijn stotteren (in positieve zin) de lachers op zijn hand kreeg, was hij van de stotterangst verlost. Zijn broer Wilfried, die ook in Groningen was komen studeren richtte met een aantal klasgenoten de Zangvereniging Op Zwart Zangzaad op. De vereniging had vier bestuursleden en Herman sloot zich bij het kwartet aan als "bewonderend orgaan". Er kwam een eigen blad en er werden eigen gedichten gedeclameerd in cafés. Herman in een interview uit 1987: "Het was allemaal heel licht, en het bleek komisch te werken. Dat werd me langzamerhand duidelijk. Voor m'n broer was het blijkbaar niet duidelijk. Hij wilde serieus aan zijn toekomst denken, wat natuurlijk belachelijk is. Ik ging ermee door. De zangvereniging was, net als de EHBO, mijn lust en mijn leven".

In 1975 keerde Herman terug naar Twente om te gaan studeren aan de Sociale Academie in Hengelo. Tegelijkertijd werd hij lid van de Almelose boerendans-vereniging De Korenaer. Dit gaf hem niet alleen de gelegenheid harmonica te spelen en klomp te dansen, maar vooral om het Twents bij te spijkeren. Zoals de jammerlijke mode in Twente nu eenmaal was, spraken zijn ouders met hun kinderen zogenaamd "Beschaafd Nederlands", ondanks het feit dat ze met elkaar en in zichzelf dialect spraken. Een taalkundige ramp.

Eind 70-er jaren trad Herman veel op in café's, op bruiloften, personeelsfeesten, in scholen enz. Hij beschouwde zichzelf als "poëet" en wilde zich als zodanig in het telefoonboek laten zetten. Dit laatste mislukte omdat hij geen telefoon had. Hij deed mee aan het Camaretten Festival in 1979. Omdat Herman zichzelf nog steeds geen cabaretier vond, opende hij zijn optreden in Delft met: "Dag dames en heren van het cabaret". Tijdens de voorronde en in de finale deelde Herman op verzoek van zijn vader folders en duimstokken van meubelzaak Finkers uit. Uiteindelijk leverde dit optreden hem drie prijzen op: de publieksprijs, de persoonlijkheidsprijs en de tweede prijs van de jury. In 1980 werd de eerste langspeelplaat "Vinger in de bips" uitgebracht met liedjes uit het programma Op Zwart Zangzaad. Zijn optredens vonden plaats in Noord- en Oost-Nederland, maar moesten soms worden afgelast "wegens ziekte van de toeschouwer". Met zijn tweede programma "De terugkeer van Joop Huizinga" (1982) haalde Herman voor het eerst (weliswaar in Almelo) een uitverkochte zaal. Ook "De Diana Ros Show" sloeg vooral aan in eigen streek.

In 1985 verhuisde Herman van Hengelo naar zijn geboortestad Almelo en startte hij met het programma "EHBO is mijn lust en mijn leven". Na een optreden in het tv-programma RUR van Jan Lenferink zouden de voorstellingen van Herman altijd uitverkocht blijven. De VARA toonde belangstelling en nam zijn theatershow op. Voortaan zou de VARA alle cabaretprogramma's van Herman Finkers uitzenden. Om de twee tot drie jaar kwam hij met een nieuw programma: Het meisje van de slijterij (1987) waarbij zijn broer Wilfried voor het eerst meewerkte als tekstschrijver en lichttechnicus, De zon gaat zinloos onder, morgen moet ze toch weer op (1990), Dat heeft zo'n jongen toch niet nodig (1992), Geen spatader veranderd (1995) en Kalm aan en rap een beetje (1998). In 1988 verwerkte Herman samen met tekenaar John Croezen uit Groningen een conferènce uit De Diana Ros Show tot de korte animatiefilm Kroamschudd'n in Mariaparochie. Door het sterke Twentse karakter van dit verhaal zou RTV-Oost ieder jaar met de Kerst deze tekenfilm herhalen. Later volgde er nog een tekenfilm onder de titel Macbeth.

In 1989 speelde hij een rol in de korte speelfilm "Kees" van André van Duren en Willem Wilmink. Ter gelegenheid van zijn huwelijk met de Harbrinkhoekse Hetty Droste componeerde Herman een meerstemmige latijnse mis, die anderhalf jaar later op cd verscheen en tevens door de KRO werd uitgezonden onder de titel Sint-Joris Mis. Deze serieuze zijweg pastte in de band die hij heeft met het rooms-katholieke geloof. Als koorknaap was hij al onder de indruk van de sfeer in de kerk en de latijnse liturgie. Later zou hij nog bezoeken brengen aan Lourdes en het Vaticaan. In 1992 stond Herman voor het eerst in Carré. In 1993 maakte hij op verzoek van het Valerius-ensemble uit Enschede een voorstelling rond het Carnaval der Dieren van Camille Saint Saens. Dit werd door de KRO uitgezonden.

Vanaf 1995 raakte Herman steeds meer gegrepen door de Twentse taal en hij vertaalde zijn voorstelling van dat moment -"Geen spatader veranderd"- integraal in het Twents. Onder de titel "Gen spatoader aans" maakte Herman een kleine tour langs de oostelijke podia. RTVOost zond de voorstelling uit en de regionale omroepen van Groningen, Drente en Gelderland namen de uitzending over. Er volgde een dubbel-cd met als titel: "Zijn minst beroerde liedjes". Ook deze werden in het Twents vertaald, evenals het theaterprogramma: "Heanig an en rap wat". Behalve de al eerder genoemde omroepen zond ook de Linburgse omroep de opname van de voorstelling uit.

In 2000 kwam er geen nieuw theaterprogramma. "De pruimen waren op", aldus Finkers. Met zijn neef Hans Engelhart, die verstandelijk gehandicapt is, maakte Herman in 2001 een pelgrimstocht naar Rome en gingen beiden op audiëntie bij de paus. De KRO volgde het duo en maakte een reportage die enkele keren werd uitgezonden. Dankzij zijn spontane neef Hans heeft de cabaretier optimaal van zijn bezoek aan de paus kunnen genieten. Een uitspraak achteraf: "Hans heet verstandelijk gehandicapt te zijn, maar wij zijn gehandicapt door ons verstand".

In de zomer van 2002 werd bij Herman, die al enige tijd kampte met de ziekte van Pfeiffer, een vorm van leukemie geconstateerd, die hij al een paar jaar onder de leden bleek te hebben. Geen acute bedreiging, maar wel een bedreiging op termijn, die het werken voorlopig vrijwel onmogelijk maakte. In november van hetzelfde jaar ontving hij de Johanna van Buren Cultuurprijs vanwege zijn verdiensten voor de regionale taal en cultuur en in maart 2003 de Twente Taal Prijs ingesteld door het Van Deinse Instituut en de Twentsche Courant Tubantia.

Over zijn huidige toestand vermeldt Herman op zijn website: "hee kik a wier wat vlugger oet de ogen". De leukemie is een kwestie van afwachten. Geen bericht, goed bericht. Herman blijft ondertussen rustig en lustig doorschrijven en voelt zich meestal goed. Mocht de tijd daar zijn dat er een voorstelling zit aan te komen dan zal dat ruim van te voren worden aangekondigd.

Bovenstaande tekst is ont- en ge-leend van de officiële website van Herman en een aantal interviews in kranten en tijdschriften.
Geboren:   09-12-1954 Almelo
Vader:   Ben Finkers, banketbakker, later eigenaar meubelzaak
Moeder:   Annie Koelen
Echtgeno(o)t(e):   Hetty Droste
Laatst bijgewerkt op:   05-03-2014