Herman Schaepman (1844-1903)


Tubbergen kreeg in februari 1844 een nieuwe burgemeester: Theodoor Everhard Jan Schaepman. Hij en zijn zwangere vrouw namen hun intrek in de ridderlijke hofstede "de Eeschof", eigendom van de heren van Enschede. Tegen zijn zin kwam hij dus in een huurhuis terecht. Enkele weken later op 2 maart, werd hun eerste zoon geboren, Herman, genoemd naar zijn grootvader.

Het was een echte jongen die speelde, ravotte en was populair bij zijn vrienden. Zijn bijziendheid speelde hem soms parten bij het spelen: zo liep hi een per ongeluk in een vijver waar zijn vriendje, de domineeszoon Reinier Hattink hem redde. Later kregen ze ruzie op school over een paar appels waarbij Herman hem met een mes een snee over zijn hand gaf. Reinier Hattink, de liberaal en gevierde jurist van later is steeds trots geweest op het litteken dat overbleef.

Hij vertrok naar het klein-semenarie te Culemborg en het groot-semenarie Rijsenburg. Hij werd in 1867 tot priester gewijd door zijn neef, de latere aartsbisschop mgr. A.I. Schaepman. Herman vertrok enkele maanden later naar Rome waar hij in 1869 het doctoraat in de theologie werd verleend. Daarna was hij aanwezig als secretaris van de bisschop van Haarlem op en Eerste Vaticaanse Concilie (1869-1870).

Hij manifesteerde zich ook als dichter en politiek journalist; Hij schreef voor "De Tijd" als dichter en was daarnaast lid van de hoofdredactie.

Zijn bisschop benoemde hem tot professor aan het groot-seminarie dat hij drie jaar tevoren als alumnus had verlaten. Doceerde hij er aanvankelijk de gehele kerkgeschiedenis, na zijn intrede in de Tweede kamer (1880) besteedde hij als buitengewoon hoogleraar met enige wekelijkse uren voornamelijk aandacht aan de moderne tijd. Zijn lessen, vol van improvisaties en actuele beschouwingen, namen steeds een hoge vlucht en hebben vele priestergeneraties van het aartsbisdom aangezet tot ultramontaans-kerkelijke en nationaal-maatschappelijke betrokkenheid. Met zijn onderwijs, maar meer nog met zijn publicistische activiteiten liet Schaepman zich kennen als een man van grote belezenheid en eruditie. In krante- en tijdschriftartikelen etaleerde hij die met zichtbaar genoegen.

Zoals vermeldt: in 1880 werd hij tot lid van de Tweede Kamer verkozen. Zijn loopbaan in de politiek was begonnen in Driebergen in de R.K. Kiesvereenigng. . 'Ik wil de Katholieken tot een politieke macht maken in Nederland', aldus Schaepman in zijn eerste rede tot de volksvertegenwoordiging. Het doel van zijn politieke streven was het breken van de politieke oppermacht van de liberalen en de herkerstening van de samenleving als antwoord op de vraagstukken en gevaren - het socialisme - van de moderne tijd. Als politiek middel zag Schaepman in eerste instantie de vorming van een christen-democratische centrumpartij. Het anti-papisme onder de Nederlandse protestanten en het conservatisme van de katholieke hogere standen maakten dat onmogelijk. Schaepman zette nu consequent koers naar de permanente politieke samenwerking tussen protestanten en katholieken in de vorm van de 'christelijke coalitie', politiek vertaald: de 'anti-these'.

Ook deze weg was slechts moeilijk begaanbaar. De anti-revolutionairen besloten pas rond de eeuwwisseling - na diepgravende theologische debatten - dat het onderscheid tussen geloof en ongeloof wezenlijker was dan het schisma tussen Rome en de Reformatie. In eigen kring stuitte Schaepman op hardnekkige tegenstand van geloofsgenoten, die de katholieke volksvertegenwoordigers eerder zagen als de kern van een nieuwe, niet-confessionele conservatieve partij. Het merkwaardige gevolg was, dat Schaepman, die in de (katholieke) literatuur geëerd wordt als grondlegger van de katholieke politieke eenheid, in werkelijkheid gedurende bijna zijn gehele politieke leven alleen stond en dat de feitelijke eerste stappen op weg naar katholieke partijvorming juist buiten hem om gingen. Zijn 'Proeve van een Program' voor een katholieke partij uit 1883 werd met brede instemming geattaqueerd door de katholieke Friese landheer en 'volks'vertegenwoordiger J. Verwer.

Het initiatief tot de oprichting van de Vereeniging van R.K. Leden der Tweede Kamer - de zogenoemde Katholieke Kamerclub - ging uit van Schaepmans conservatieve opponenten Dr. P.J.F. Vermeulen, W.P.A. Mutsaers en J.H.L. Haffmans. Tijdens het voorzitterschap van laatstgenoemde (1893-1896) weigerde hij zelfs consequent de vergaderingen van de Kamerclub bij te wonen. Ook de oprichting van de Algemeene Bond van R.K. Kiesvereenigingen in 1904 -een eerste bundeling van katholieke kiesorganisaties in 1894 liep stuk op onderlinge tegenstellingen, terwijl in 1904 de Brabantse kiesverenigingen niet mee wilden doen - voltrok zich zonder dat Schaepman in de oprichtingsplannen was gekend. Op het einde van zijn (politieke) leven had Schaepman de hoop op minimale politieke overeenstemming onder de katholieken kennelijk opgegeven en trachtte hij van de nood een deugd te maken door vleugelvorming toe te juichen: 'Immers de partij des behouds heeft noodig de vooruitstrevenden en de vooruitstrevenden behoeven het behoud'.

Hoewel de conservatieve katholieken er in hun politiek handelen absoluut geen blijk van gaven zich ervan bewust te zijn dat zij hun vooruitstrevende geloofsgenoten nodig hadden, beloonden zij Schaepman voor zijn inzicht (en resignatie?) door hem in 1901 te kiezen tot voorzitter van de Katholieke Kamerclub. Gezien de feitelijke gang van zaken moeten we met de katholieke partijhistoricus J .P. Gribling concluderen dat het 'een objectief historicus moeilijk zal vallen Schaepman werkelijk als de oprichter van de katholieke partij te zien'. Was hij dan zo verlicht en vooruitstrevend, dat zijn geloofsgenoten hem niet konden volgen? Schaepman was zeker geen democraat uit overtuiging. Aanvankelijk was hij een verklaard tegenstander van algemeen kiesrecht en sociale interventie door de staat. Hij werd, zoals zijn leerling Gisbert Brom het omschreef, 'later democraat uit verstandelijk begrip van de tijdgeest en uit staatkundige berekening'. En dat ging de katholieke elite, die niet zo bij de tijd was, boven de pet.

Het inzicht, dat sociale hervormingen onvermijdelijk en noodzakelijk waren met het oog op de integratie van de (katholieke) arbeidersklasse, ontleende Schaepman vooral aan zijn bemoeienissen met de eerste katholieke werkliedenverenigingen in het aartsbisdom. Zijn voorkeur voor zuivere werkliedenorganisaties bracht hem in conflict met de aartsconservatieve bisschop van Haarlem, C.J.M. Bottemanne, die koos voor het Volksbondmodel: de Organisatie van katholieke werklieden onder directe patronage van de hogere standen. Schaepman kreeg een spreekverbod in het bisdom Haarlem. Zijn devies 'alles voor en door de werkman' moeten we overigens niet al te letterlijk nemen. Schaepman kwam namelijk ook in botsing met zijn eigen volgelingen als A. Ariëns en Brom - ook wel 'Schaepman's zonen' genoemd - die aandrongen op grotere zelfstandigheid op sociaal gebied voor de katholieke werklieden, samenwerking over de grenzen van de bisdommen heen en de oprichting van katholieke vakorganisaties. Dat alles ging de in wezen conservatieve Schaepman veel te ver.

De aanleiding tot de breuk lag in de oprichting van de Klarenbeeksche Club, een informeel discussieforum over kerk en samenleving, dat ontstond tijdens de viering van Brom's koperen priesterfeest in 1901. Schaepman werd niet gevraagd. Dat was natuurlijk tegen het zere been van de autoritaire priester-staatsman, die volgens Gerard Brom, de broer van Gisbert en de biograaf van Ariëns, niet hield van 'machtsvorming buiten zijn bereik'. Hij was een moeilijk man, die scherp tekeer kon gaan tegen zowel mede- als tegenstanders. Ariëns typeerde hem in termen als 'onfeilbaarheidswaan', 'geest van dwingelandij', 'kwaaddenkendheid' en 'prikkelbaarheid, die boosheid werd bij de minste tegenspraak'. De Twent Schaepman had bovendien een uitgesproken afkeer van zuiderlingen, die de katholieke saamhorigheid niet ten goede kwam. Bij zijn dood in 1903 schreef Ariëns aan de verlichte Westbrabantse suikerfabrikant J.F. Vlekke, dat zijn heengaan 'het struikelblok voor de harmonische samenwerking van velen (heeft) weggenomen'.

Geboren:   02-03-1844 Tubbergen
Overleden:   21-01-1903 Rome
Vader:   Theodoor Everhard Jan Schaepman, burgemeester van Tubbergen
Moeder:   Johanna Francisca La Chapelle (Vlaams- Franse afkomst)
Publicaties:   Door H.J.A.M. Schaepman: - De Paus (gedicht:1866) - De Pers (gedicht:1868) - De Piusfeesten te Rome (1869) - Napoleon (1873) - Godsdienst en Volkwelvaart (studie over Katholicisme en protestantisme: 1875) - De Katholieken in de Tweede Kamer (Nav de Rentewet: 1881) etc etc. Werken over Schaepman: - Dr H.J.A.M. Schaepman door Gisbert Blom (1903) - Dr. Schaepman door Jules Perseyn (1916) - Herman Schaepman door W. van de Plas - Schaepman als staatsman door Dr. J. Witlox (1960)
Laatst bijgewerkt op:   16-04-2014