Ernst Hendrik van Ittersum (1699-1733)


In 1677 al werd Van Ittersum kanunnik van de commanderij van Ootmarsum. Zijn werkelijke carrière begon hij echter in dienst van stadhouder-koning Willem III, die hem tot page en - in 1699 - tot kapitein van zijn garde benoemde. Het overlijden van de stadhouder in 1702 zal de beginnende loopbaan van Ernst Hendrik geen goed hebben gedaan. Hij verloor hierdoor immers een machtig beschermheer.

Hoewel Van Ittersum al in 1696 vanwege de Oosterhof tot de landdag was toegelaten, horen we pas vanaf 1706 iets over zijn politieke bezigheden. In dat jaar werd hij namens Overijssel afgevaardigd naar de Staten-Generaal. Een steeds terugkerend onderwerp van bespreking was daar in die tijd de afhandeling van de nalatenschap van Willem III. De Friese stadhouder Johan Willem Friso was weliswaar in het testament van de overledene tot universeel erfgenaam benoemd, maar moest zich toch verdedigen tegen aanspraken van de koning van Pruisen op de erfenis. De prins hoopte daarbij op de steun van Van Ittersum in de Staten-Generaal. Misschien dacht hij dat iemand die in dienst was geweest van Willem III, vanzelfsprekend sympathie zou kunnen opbrengen voor de belangen van een prins uit een andere tak van de Nassau's. Toen Van Ittersum in tegendeel juist de kant van de Pruisische koning koos, werd er in kringen van het Friese hof gesuggereerd dat hij een jaargeld van deze koning kreeg. Adviseurs van Johan Willem Friso slaagden er niet in Van Ittersum van gedachten te doen veranderen.

Al in het eerste jaar dat Ernst Hendrik zitting had in de Staten-Generaal, viel hem een gezantschap te beurt. Hij werd naar Munster gestuurd om de belangen van de Republiek te behartigen in een periode waarin een opvolger voor de overleden bisschop werd gezocht. Als diplomaat was hij zeer succesvol. Toen dan ook in 1719 door de dood van de Munsterse bisschop andermaal een opvolgingsstrijd dreigde te ontstaan, werd Van Ittersum door de Staten-Generaal met een nieuwe diplomatieke missie naar Munster gestuurd.

In 1710 had hij deel uitgemaakt van een commissie die naar Brussel was gezonden om de bevoorrading van de troepen in de Zuidelijke Nederlanden te regelen. Gedurende deze jaren wist hij velerlei contacten op te bouwen met buitenlandse diplomaten. Hij had bij hen een goede naam. In de Overijsselse politiek echter bleven zijn mogelijkheden beperkt door de grote invloed van de drost van Salland, Adolf Hendrik van Rechteren. Het is - gelet op zijn ambities - niet verwonderlijk dat Ernst Hendrik zijn invloed trachtte uit te breiden en daardoor met Van Rechteren in botsing kwam. In 1711 trachtte Van Ittersum in samenwerking met invloedrijke regenten uit de steden een greep naar de macht te doen. Deze intriges werden — zo dacht Van Rechteren -gesteund door mensen van buiten de provincie. Ook Johan Willem Friso stuurde een afgezant om in troebel water te vissen. Hij hoopte op een drastische wijziging van de machtsverhoudingen in Overijssel. Alleen dan was er een kans dat de Staten van Overijssel de resolutie, waarin ze verklaarden geen stadhouder meer te zullen aannemen, zouden intrekken. Het werd echter al snel duidelijk wie in Overijssel werkelijk de touwtjes in handen had. Van Ittersum verloor de strijd en werd niet meer naar de Staten-Generaal afgevaardigd. In zijn plaats werdjoan Albert Gabriël Sloet tot Warmelo benoemd, een politieke vriend van Van Rechteren.

Hoewel we ervan mogen uitgaan dat Ernst Hendrik zich niet bij zijn nederlaag neerlegde, horen we de eerste jaren niets meer over hem. Dat hij wel degelijk actief was blijkt uit het feit dat de Engelse regering hem op advies van ambassadeur Horatio Walpole een jaargeld toekende van zo'n tweehonderd pond en dat men tevreden was over zijn diensten. In het najaar van 1721 stuurde de Engelse minister van buitenlandse zaken William Cadogan als speciale gezant naar de Republiek. Hij moest polsen hoe de kansen in de verschillende provincies lagen voor het benoemen van een stadhouder. Eén van zijn informanten was Van Ittersum, die volgens Cadogan een fervent aanhanger was van het stadhouderlijk huis en bereid was te intrigeren om in zijn provincie een stadhouder benoemd te krijgen. Ernst Hendrik, die redenen had de Engelse regering te vriend te houden, zal ongetwijfeld die indruk gewekt hebben.

De werkelijkheid was echter anders. Vertegenwoordigers van het Friese stadhouderlijk hof deden omstreeks die tijd pogingen om de jonge prins Willem tot stadhouder van Overijssel verkozen te krijgen, maar ondervonden geen enkele medewerking van Van Ittersum. Drie jaar later - in juni 1724 - behoorde Ernst Hendrik tot de ondertekenaars van een stuk waarin verklaard werd dat het benoemen van een stadhouder op een beperkte instructie de beste oplossing was voor de problemen met de besluitvorming in Overijssel. Het lag in de bedoeling op de landdag een meerderheid voor dit standpunt te verkrijgen. Volgens informanten van Van Rechteren was het vooral Van Ittersum die op alle mogelijke manieren mensen probeerde over te halen. Toen echter op instigatie van Van Rechteren Holland ernstige bezwaren maakte tegen het aannemen van een dergelijke resolutie, trokken velen hun steun ijlings in. Ook Ernst Hendrik koos eieren voor zijn geld.

Nadat in de zomer van 1732 prins Willem een overeenkomst met de koning van Pruisen had gesloten over de nalatenschap van Willem III, moesten de Staten van de verschillende provincies het groene licht geven voor de overdracht van de erfenis aan de erfgenamen. De prins zond een afgezant naar Overijssel om te polsen hoe men er daar over dacht. Inmiddels was Van Rechteren overleden en Van Ittersum - die vanaf 1732 verschreven werd vanwege Boxbergen - leek nu werkelijk bereid te trachten zijn talrijke relaties met name in de steden voor het standpunt van de prins te winnen. Veel plezier van de toegezegde steun heeft de prins niet gehad. Ernst Hendrik overleed namelijk in april 1733.

Dat Van Ittersum een bekwaam politicus en diplomaat was, werd door vriend en vijand erkend. Van zijn karakter en optreden was echter niet iedereen gecharmeerd: '...want buyten dat ick van sijne conduittes op verscheyde wijse hebbe hooren spreecken, soo geloof ick dat hij een geveynst, quaadt mensch is...', zo schreef een Hollands regent.

Ernst Hendrik huwde in 1702 Maria Clara Charlotta du Faget van Assendelft en in 1718 Anna Margaretha Desmarets. Uit het eerste huwelijk werden vijf kinderen geboren.

Auteur: M. Bruggeman

Uit: Overijsselse Biografieën

Geboren:   circa 1699 Rijssen
Overleden:   25-03-1733 Rijssen
Vader:   Ernst van Ittersum tot de Oosterhof
Moeder:   Ida van Ittersum tot Nijenhuis
Echtgeno(o)t(e):   Maria Clara Charlotta du Faget van Assendelft
Tweede echtgeno(o)t(e):   Anna Margaretha Desmarets
Publicaties:   RAO, Huisarchief Almelo Koninklijk Huisarchief, archief Johan Willem Friso en archief Willem IV H.O. Lang, Die Vereinigten Niederlande und die Fürstbischofs- und Coadjutorwahlen in Munster im 18. Jahrhundert, Munster 1933 John J. Murray, An honest diplomat at the Hague. The private letters of Horatio Walpole 1715-1716, Bloomington, Den Haag 1955 A.J. Veenendaal jr., De briefwisseling van Anthonie Heinsius 1702-1720, Den Haag 1988 XI
Laatst bijgewerkt op:   12-03-2014