Jacob Hendrik Floh (1758-1776)


Jacob Hendrik Floh werd in 1758 te Krefeld (Pruisen) geboren als zoon van Johannes Floh en Arnolda Albertina Mau-ritz en op 24 maart 1776 te Kleef gedoopt. Hij overleed op 25 maart 1830 te Enschede.

Jacob Hendrik Floh stamde uit een geslacht van kooplieden. Zijn vader Johannes Floh was linnenhandelaar en bezat daarnaast een weverij. Toch liet Jacob zich in 1777 als student in de filosofie inschrijven aan de Doopsgezinde Kweekschool te Amsterdam, om later naar theologie over te stappen. Vrij spoedig na de voltooiing van zijn opleiding werd hij in 1783 te Enschede beroepen. Met een korte onderbreking (1798-1799) behield hij deze standplaats tot zijn emeritaat in 1829.

De doopsgezinde gemeenschap van Enschede was toentertijd klein (in 1798 waren er 41 leden) maar zeer welvarend. Zij kon haar leraar dus een riante toelage verstrekken zonder dat deze aan het geestelijk leiderschap over zijn gemeente een volledige dagtaak had. Dominee Floh was hierdoor in de gelegenheid veel van zijn tijd te besteden aan een andere belangrijke zaak: de verbetering van het volksonderwijs. Voor de geschiedschrijver van de doopsgezinden Blaupot ten Cate was dit een halve eeuw later aanleiding wat zuur op te merken dat het lager onderwijs in Overijssel veel aan Floh te danken had, maar de doopsgezinde gemeenschap aanzienlijk minder.

In 1785 trouwde Jacob Floh met Magteld Paschen, een dochter uit een bekende doopsgezinde familie. Zij was een schoonzuster van de vooraanstaande fabrikeur Benjamin Blijdenstein. Dit huwelijk zal Flohs positie in de Enschedese gemeenschap beslist verstevigd hebben. Omdat doopsgezinden in de Republiek geen openbare ambten konden bekleden, was Floh vooralsnog genoodzaakt zijn plannen voor de verbetering van het onderwijs uitsluitend in de vorm van een aantal brochures van de op dit gebied zeer actieve Maatschappij tot Nut van 't Algemeen naar buiten te brengen. Hij won hiermee verschillende prijsvragen. Verhandelingen over het verband tussen deugd en geluk en over de beste theorie van straffen en belonen werden met goud bekroond.

Deze situatie veranderde in 1795 toen het staatsbestel van de Republiek omvergeworpen werd. Een jaar later werd Floh namens het district Hengelo gekozen tot lid van de Nationale Vergadering te Den Haag. Tegen Blijdensteins adviezen in profileerde hij zich daar als vertegenwoordiger van de radicale factie der Democraten. Vooral met zijn provocerende stelling dat een bepaalde passage in de Heidelberger Catechismus in strijd was met de menselijke broederschap, riep hij veel weerstand op. Bovendien was Floh lid van de commissie die adviseerde kerk en staat te scheiden en de Nederduits Gereformeerde Kerk haar voorrechten te ontnemen. Hierdoor werd het ook doopsgezinden mogelijk in het openbaar een kerkelijk huwelijk aan te gaan. In Enschede werd hiervan voor het eerst gebruik gemaakt bij het huwelijk van Benjamin Willem Blijdenstein en Catharina ten Cate in 1803.

Floh werd daarnaast nog in vier andere commissies benoemd. De belangrijkste daarvan was de commissie die een nieuwe staatsregeling moest ontwerpen, waarvan hij tevens secretaris was. Ook was hij lid van de onderwijscommissie. Deze bracht in 1796 een rapport uit waarin de aanbeveling werd gedaan het lager onderwijs te nationaliseren en alle leerlingen klassikaal hetzelfde leerprogramma te laten volgen. Dit indertijd zeer revolutionaire idee viel uiteraard niet overal in goede aarde.

Hoewel zij in kwantitatief opzicht de minderen waren, slaagden de radicalen er blijkbaar in om via allerlei ondoorzichtige politieke manoeuvres hun stem in de Vergadering te doen gelden, waarbij Floh een belangrijk aandeel had. Een vertegenwoordiger van de meerderheid der Moderaten noemde hem daarom een bedrijver van 'Mennistenstreken'. Hiermee werd iemand aangeduid die de indruk wekte een volledig beeld van de werkelijkheid te geven maar die zonder echte leugens te vertellen de waarheid verzweeg, iets waarvan met name doopsgezinden in vroegere tijden vaak beticht werden.

Op 22 januari 1798 grepen de radicalen door middel van een staatsgreep de macht, waarna de weg vrij was voor het aannemen van een radicale grondwet. Jacob Floh viel het secretariaat van de Eerste Kamer ten deel. Reeds in juni vond echter een tweede staatsgreep plaats die de Moderaten aan het bewind bracht. In 1799 beëindigde Floh zijn politieke loopbaan dan ook en keerde hij terug naar Enschede. Het radicale patriottisme had ook daar inmiddels veel van zijn aantrekkingskracht verloren. De gereformeerde predikant Arnold Kayser verklaarde zich zelfs voor Oranje, wat een optreden van de plaatselijke overheid uitlokte.

Ondanks het ongunstige politieke klimaat werden de voorbereidingen voor een nationale onderwijswet nog altijd voortgezet. In 1801 kwam een wet op het openbaar lager onderwijs tot stand, met een Reglement van Orde dat grotendeels uit de koker van Floh afkomstig was. Als uitvloeisel van de wet werden provinciale commissies ingesteld en schoolopzieners benoemd. Floh werd zelf secretaris van de Provinciale Commissie van Onderwijs te Zwolle en schoolopziener van het zesde district. Ook in deze betrekkingen legde hij veel ijver aan de dag. Menige zondag moest zijn gemeente het zonder leraar stellen omdat deze naar Zwolle afgereisd was.

Als schoolopziener controleerde Floh de uitvoering van de onderwijswetten op aanvankelijk 113 lagere scholen. Een stroom van rapporten en overzichten van zijn hand geven ons een weinig rooskleurig beeld. De meeste onderwijzers waren volgens Floh dom en onbeschaafd, terwijl sommigen niet eens lezen en schrijven konden. Schoollokalen waren veel te klein en slecht verwarmd. Schrijfbanken ontbraken, toiletten eveneens. Schoolboeken waren er — afgezien van de Heidelberger Catechismus - vaak evenmin. Kortom, de onschuldige en lieve kinderen werden, in Flohs bewoordingen, in plaats van veredeld en beschaafd geheel verwaarloosd en verdrukt.

Om hierin verbetering te brengen schreef Floh in 1808 een handboek voor onderwijzers waarvan verscheidene herdrukken verschenen en dat in de eerste helft van de vorige eeuw veel invloed had. Aan het probleem van orde houden in de klas werd hierin veel aandacht besteed. Floh gaf daarbij zelf de voorkeur aan belonen boven straffen. Een jaarlijks openbaar examen, liefst in de kerk en in het bijzijn van plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders, moest appelleren aan de eerzucht van de leerlingen.

In 1822 verscheen bovendien nog zijn door de Maatschappij ter Bevordering van den Landbouw bekroonde verhandeling over de verbetering van het onderwijs op het platteland. Tevens publiceerde Jacob Floh over de opvoeding van weeskinderen, over industriescholen en over godsdienstige onderwerpen. Ook hierbij verloochende hij zijn aard niet. In een preek uit 1817 noemde hij toenemende kennis de motor van de kerkhervorming van 1517 en staatkundige en burgerlijke vrijheid haar gevolg. De scheiding van kerk en staat was hier in zijn visie nauw mee verbonden. Daarnaast had Floh in zijn woonplaats Enschede bemoeienis met een opleiding tot textielarbeider voor weeskinderen.

Toen Floh in maart 1830 te Enschede overleed, was zijn enige erfgenaam zijn zoon Jan Arnold, in 1816 gehuwd met een dochter van de gereformeerde dominee en Oranjeklant Arnold Kayser. Als predikant werd Floh opgevolgd door de latere historicus W.C. Mauve, die in 1830 te Enschede beroepen werd. Johannes Hendrik Floh huwde op 2 mei 1785 te Enschede met Magteld Paschen, dochter van Abraham Paschen en Geertruid Walijen, geboren op 17 oktober 1767 en overleden op 26 mei 1839. Zij kregen vier kinderen, onder wie de kunstschilder Abraham Willem (1793-1831).

G. Reudink

Uit: Overijsselse biografieën

Geboren:   circa 1758 Krefeld (Pruisen)
Overleden:   25-03-1830 Enschede
Vader:   Johannes Floh
Moeder:   Arnolda Albertina Mauritz
Echtgeno(o)t(e):   Magteld Paschen (ehuwd 2-5-1785)
Publicaties:   Onderrigtingen, raadgevingen en wenken, voor min of meer geoefende school-onderwijzers, die hunnen belangrijken post, volgens de nieuwste school-verordeningen in dit koningrijk, doelmatig wenschen waar te nemen, tot gemak voor hun zelven, en ten meesten nutte der aan hun onderwijs toevertrouwde jeugd, Groningen en Amsterdam 1808, 2e druk 1821, 3e druk 1827. Prijsverhandelingen, over de beste theorie van straffen en belooningen in de schoolen / uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. 1794. 136 p. Belangrijkste bron RAO, archieven der elkaar opvolgende schoolbesturen in Overijssel 1801-1857
Laatst bijgewerkt op:   05-03-2014