Gesina ter Borch (1631-1690)


Gesina ter Borch werd geboren te Deventer op 15 november 1631 als dochter van Gerard ter Borch sr. (circa 1582/1583-1662) en Wiesken Matthys (1607-1683). Zij overleed te Zwolle, vermoedelijk op 16 april 1690.

Gesina ter Borch, kunstenares uit liefhebberij, werd in Deventer geboren. Een ter ere van haar geschreven gedicht stelde: 'Mocht ZWOL op u geboorte roemen.... / Doch DEVENTER viel dit te Beurt. / 't Welk u geboort' verheugd', nu om u afzijn Treurt.' Gesina's moeder, Wiesken Matthys, was Deventerse van geboorte, haar vader, Gerard ter Borch sr., een Zwollenaar. Kort na het huwelijk verhuisde het gezin naar Zwolle, waar de vele kinderen uit Gerards drie huwelijken opgroeiden. Van hen zou de oudste, Gerard ter Borch j r. het meest bekend worden. Hij groeide uit tot één van de befaamdste zeventiende-eeuwse Nederlandse schilders van portretten en alledaagse taferelen. Gesina, de artistiek meest begaafde dochter, genoot alleen plaatselijke bekendheid.

Het huis van de Ter Borchs bevond zich in de Sassenstraat te Zwolle, dichtbij de Grote Kerk. Als dochter van een voormalig kunstenaar, die licentmeester van Overijssel was geworden, groeide Gesina op in een cultureel rijk en in materieel opzicht comfortabel milieu. Gesina's nauwe betrekkingen met de vriend van de familie, Joost Hermans Roldanus, die leraar was aan de Latijnse school en die bekend stond vanwege zijn schoonschrijfkunst, wijst op het belang dat het echtpaar hechtte aan de ontwikkeling van hun kinderen. Roldanus begeleidde waarschijnlijk haar pogingen de kalligrafie machtig te worden. Haar eerste oefeningen - in fraaie letters geschreven gedichten en aforismen, overgenomen uit verschillende bronnen - zijn bewaard gebleven in haar Materi-Boeck (themaboek), dat een aanvang neemt in 1646. Het boekje groeide snel uit tot een album met aquarellen en illustraties bij gedichten. In de jaren die volgden ging Gesina's belangstelling echter meer uit naar beeldende kunst dan naar kalligrafie.

Ondanks de beperkingen die in die tijd aan een jonge vrouw werden opgelegd en ondanks de betrekkelijk geringe aanmoediging van de kant van haar vader, voelde Gesina zich toch sterk gemotiveerd om haar kunstzinnige talenten te ontplooien. Het tekenen leerde zij samen met haar broers Harmen en Mozes. Kort na haar 2iste verjaardag begon ze aan een omvangrijk album met haar lievelingsgedichten, dat ze illustreerde met aquarellen, die met goud en zilver verfraaid waren. Tegen het einde van dejaren vijftig had Gesina genoeg ervaring opgedaan om volledig uitgewerkte miniaturen in kleur te maken voor het Poezie-album. De inspiratie daarvoor putte zij uit gedrukte illustraties in eigentijdse liedboeken: Jan Starters Friesche Lusthof, J.H. Kruis 'Eerlijke Tytkorting' en Jacob Cats' 'Spiegel vanden ouden ende nieuwen tijdt'. Deze en een aantal anonieme liedboeken vormden ook de bronnen voor de gedichten die Gesina in haar album overnam. Haar keuze uit dit literaire aanbod was zeer uiteenlopend, hoewel pastorale gedichten, drinkliederen en vooral Pe-trarkische liefdeslyriek overheersten; in deze laatste categorie spelen de hopeloos verliefde aanbidders van ongenaakbare schoonheden de hoofdrol. Daarbij zijn er opmerkelijk veel lofdichten in het album opgenomen, die speciaal ter ere van haar geschreven waren door Roldanus, haar zwager Sybrand Schellinger, en niet te vergeten door haar aanbidder Henrik Jordis.

Jordis verdient een aparte vermelding, omdat hij de aan Gesina opgedragen verzen pas toevoegde toen het Poëzie-album in 1660 reeds zijn voltooiing naderde. Maar zijn bijdrage aan Gesina's grootste onderneming —het Kunstboek, waaraan zij in 1660 begon te werken - is nog belangrijker. De Amsterdamse koopman Jordis, die uitgebreide contacten had in de literaire kringen van de hoofdstad, was zelf een bedreven schrijver van gelegenheidsgedichten. Aan het Kunstboek - Gesina's meest gewaardeerde album - droeg hij een allegorisch toneelstuk bij, de Triomphe der Schilderconst over de Doodt. Ook leverde hij de iconografische schets voor de grote tekening op het titelblad. Deze schets is geïnspireerd op het toneelstuk dat Gesina aan het eind van haar boek opnam. Er is weinig bekend over haar relatie met Jordis. Dat er naar alle waarschijnlijkheid sprake is geweest van een verloving, kan worden afgeleid uit sommige van de aquarellen uit het album, uit de persoonlijke betrokkenheid van Jordis bij Gesina's werk, en uit een verzameling toegevoegde gedichten van zijn hand die Gesina in haar bezit hield. Na 1662 is er geen spoor meer van hun vriendschap te bekennen.

Gesina's belangrijkste werk voor het Kunstboek stamt uit de jaren zestig. In een krachtige gerijpte stijl bracht ze de manieren, gewoontes en wijze van kleding in een kleine stad in beeld; ze deed dat in bladvullende aquarellen, die een schat aan waardevolle details opleveren over de samenleving en opvattingen uit die tijd. Na ongeveer twintig bladzijden gaat het album echter over in een plakboek. Hierin vindt men veel van haar eigen, losstaande aquarellen, een uiteenlopende reeks familiesouvenirs, alsmede tekeningen van zowel haar jongere broers als van haar oudste broer Gerard jr. Veel van dit werk laat de ontvankelijkheid van de familie voor de populaire artistieke en literaire stromingen van haar tijd zien.

De artistieke relatie tussen Gerard en Gesina was vooral hecht van omstreeks 1648 tot 1665. In deze jaren poseerde ze geregeld voor zijn schilderijen. Ook was dit de meest vruchtbare periode van haar eigen kunstzinnige activiteiten. Zoals hij haar aanmoedigde in haar kunst, zo inspireerde zij hem op haar beurt door de liefdespoëzie, waar zij een voorkeur voor had. Omstreeks 1665 waagde Gesina zich aan het schilderen met olieverf en kopieerde zij een aantal van Gerards portretten. Uit verscheidene doeken van haar hand blijkt dat zij een gedetailleerde stijl ontwikkelde, die soms moeilijk van de zijne te onderscheiden is. Toch keerde Gesina spoedig terug naar het aquarelleren. Op enige bezoeken aan Gerard in Deventer en verschillende logeerpartijen bij haar zuster Jenneken en haar zwager Sybrand Schellinger in Amsterdam na, woonde Gesina haar hele leven in Zwolle. Toen Jenneken in 1675 overleed, kwamen de drie kinderen Schellinger bij Gesina wonen. In de laatste tien jaren van haar leven kocht Gesina samen met een andere zuster een landhuis vlak buiten de Sassenpoort.

De plaatselijke erkenning die Gesina genoot vanwege haar artistieke kwaliteiten, blijkt uit de vele lofdichten die door haar bewonderaars in de albums zijn geschreven. Hierin komen haar levendige persoonlijkheid en karakter naar voren, haar scherpzinnigheid en haar toewijding aan de beoefening van de kunst en het vergaren van kennis. Een andere eigenschap die bij haar opviel, was de zorgvuldigheid waarmee ze Je werken op papier van haar familie bewaarde. Zo bepaalde zij in haar testament dat niets van dit materiaal uit de familie mocht verdwijnen. Toen de laatste van de nakomelingen, de Zwollenaar L.T. Zebinden, in 1886 overleed, was het Rijksmuseum te Amsterdam dan ook in staat vrijwel de gehele nalatenschap aan te kopen.

Alison Kettering- McNeil

Uit: Overijsselse biografieën