Willem Dingeldein (1894-1953)


Willem Dingeldein werd op 18 augustus 1894 te Denekamp geboren als zoon van de kuiper Jan Adolf Dingeldein en Derkjen Arnolda Poppink. Hij overleed te Oldenzaal op 8 januari 1953. Willem Dingeldein ging in zijn geboortedorp naar school en werd, na het volgen van de onderwijzersopleiding te Oldenzaal, aangesteld in zijn eigen dorp, waar hij in 1923 hoofd werd van de enige openbare lagere school. Hij legde in 1945 deze functie neer en wijdde zich daarna geheel aan publicistisch en organisatorisch werk op heemkundig terrein. Als vrijgezel kon hij zich dat veroorloven. Zijn oud-leerlingen herinneren zich Dingeldein als een goede 'meester'. Hij was inderdaad, zo blijkt ook uit zijn schrifturen, een geboren pedagoog, maar behalve op het uitdragen van kennis wierp hij zich op het verwerven daarvan. Zijn hoogste prioriteit was de wetenschap en dan vooral wat de Duitsers Landeskunde noemen. Hij werd daarbij geïnspireerd door professor dr. Karl Döhmann, archivaris van de vorst van Bentheim. Hij beschouwde hem als zijn leermeester, nadat zij samen de vererende opdracht hadden gekregen om de historie van Huis Singraven te schrijven.

Dingeldein heeft veel populaire artikelen geschreven en met voor die tijd uitzonderlijk fraaie, zelfgemaakte foto's geïllustreerd, onder meer in het tijdschrift In weer en wind. Daardoor raakte hij in het hele land bekend. Zijn kennis van de natuur evenaarde die van zijn vriend en oudere collega meester Bernink. Maar zijn belangstelling omvatte de hele Twentse heemkunde. Natuur en streekgeschiedenis waren zijn specialismen en als historicus maakte hij naam. Hij ging tot de bronnen, zoals blijkt uit gedegen studies. Over de klokken van Denekamp (en Neede), het Stift Weerselo, een Ootmarsums burgergezin uit de patriottentijd en vele andere. De mens in zijn tijd en de petite histoire hadden zijn bijzondere belangstelling.

Op middelbare leeftijd gekomen, maakte hij zich op om zich geheel in dienst van de Twentse streekcultuur te stellen. Dat heeft hij maar acht jaar kunnen doen. Toen hij overleed, pas 58 jaar oud, was dat een grote slag voor de Twentse zaak waaraan hij zich met hart en ziel had gegeven. In de nacht van oud op nieuw 1953 maakte een acute ziekte het nodig dat hij in het ziekenhuis te Oldenzaal werd opgenomen. Een operatie mocht niet baten en een week later, op 8 januari 1953 is Dingeldein gestorven. Heel Twente rouwde om een man die was weggerukt uit de gemeenschap die zozeer zijn liefde had gehad en die zijn gedegen kennis én zijn talent maar node kon missen.

Jan van Heek, de stichter van het Rijksmuseum Twenthe, leefde toen nog. Een man van de oude garde van Twente-pioniers. Voor hem was Willem Dingeldein een jongere en een van de zeer weinigen die het vaandel konden overnemen van Bernink, Van Sambeek, Van Deinse, Cato Elderink, Jan Jans, GJ. ter Kuile en hun generatiegenoten. Zijn klacht dat er niemand zou overblijven die het werk van de beginners kon voortzetten, is niet terecht gebleken. Dat blijkt onder meer uit de 32 jaargangen van het Jaarboek Twente. Het heemkundige terrein is nog breder geworden dan het bij Dingeldein al was. Nu is er ook aandacht voor industriële historie, voor literair- en kunstleven, voor alles wat Twente zich aan geestelijke uitrusting verworven heeft. En vooral voor wat de eigenheid van dit gewest bedreigt.

Ook in dat laatste opzicht heeft meester Dingeldein pionierswerk verricht. Hij beperkte zich niet tot poëtische beschrijvingen, zoals "Langs de heuvelen en heiden van Ootmarsum", maar probeerde de generatie van na de oorlog de ogen te openen voor het heilloze van de weg die zij was ingeslagen. Wie mocht menen dat de eenzame geleerde van Denekamp geen strijdbare figuur was, moet maar eens lezen wat hij schrijft over het Lutterzand in zijn populairste boek Het land van de Dinkel, al in 1948 en ook nadien vele malen herdrukt. Toen al begon de onttakcling van dit schitterende natuurgebied.

Vooral in de laatste acht jaar van zijn leven heeft Dingeldein zich op een breed terrein voor Twente en Overijssel ingezet, waarbij ondanks alle verloedering de natuur van zijn geboortestreek, zijn eerste liefde, hem bleef inspireren. Daar wandelde hij alleen of met enkele vrienden en daar maakte hij zijn nu tot waardevolle documenten geworden foto's. Maar niet alleen in de natuur. Hij fotografeerde ook de verdwijnende én de nog volop beoefende uitingen van het volksleven, dat hij eveneens als zijn broekzak kende, voorzover het Twente betreft. Hij ging ook naar Haaksbergen om er de watermolen in beeld vast te leggen toen die in de winter van 1946 door hoog water was verwoest.

Hij schreef over vele dingen, maar zijn wetenschappelijke voorzichtigheid weerhield hem zich op de vele gebieden die hij ontgon, uit te geven als een deskundige. Hij schreef enkele gefundeerde artikelen over taal en volkskunde, maar een eervolle opdracht om in een (nooit verschenen) serie Neerlands volksleven het deel over Twente te schrijven, weigerde hij. Hij bezat het vermogen om eventueel ontbrekende kennis minutieus aan te vullen en hij volgde bovendien nauwlettend wat in Twentse kranten verscheen over nog levende volksgebruiken. Nauwlettend en zeer kritisch. Zo kritisch soms, dat hij bepaalde tradities nauwelijks als feiten wilde erkennen, zolang hij ze niet zelf had kunnen constateren.

Hij was, ook als hij niet publiceerde, altijd bereid om zijn kennis met anderen te delen. Toen ik hem, eenjaar voor zijn dood, een voorlopig overzicht van mijn hand over de gebruiken van de jaarronde zond, reageerde hij prompt. Niet alleen met een vriendelijk dankwoord, maar ook met dertien in duidelijke schoolmeesterhand dicht beschreven velletjes aantekeningen, correcties en vooral veel waardevolle aanvullingen.

Dingeldein heeft al tijdens zijn leven veel erkenning genoten. Tal van instellingen hebben dankbaar gebruik gemaakt van zijn inzet. Jarenlang, tot 1951, was hij de actieve secretarispenningmeester van Natura Docet. Hij was mede-redacteur van het Jaarboek Overijssel voor Cultuur en Historie, bestuurslid van de Oudheidkamer Twente (waar hij bezig was met het ordenen van bibliotheek en archief), van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, het Overijsselsch Landschap en het Edwina van Heekfonds. Plaatselijk (hij behoorde tot de protestantse minderheid in Denekamp) vervulde hij kerkelijke functies.

Een bezig man, die in zijn werk volop voldoening vond. Een gedreven amateur, liefhebber in de volle zin van het woord. In zijn publikaties leeft hij in en buiten Twente voort, maar ook het eigen dorp heeft de bescheiden schoolmeester van toen niet vergeten en eert hem met een bronzen portretbuste (door Marie Eitink), met een heemkundevertrek dat naar hem is genoemd en door het van tijd tot tijd publiceren van telkens weer opduikende geschriften van zijn hand. Willem Hendrik Dingeldein was ongehuwd. Auteur: Adriaan Buter Een "In Memoriam" Aan W.H. Dingeldein 'Ne krueke is é-brökken, zoo a's 't met krueken geät! 'Ne klokke hef é-sprökken, ze zung 'en gròvenleed…! 'Ne kruecke is 'e-brökken, dee nôw ten krömmel geät -! 'Ne schaele is 'e-sprungen, ze böorg 'en kost'lijk nat! Woa' völl' zich um ve'drungen, dee riek te gièven had! 'Ne schaele is 'e-sprungen, de bärste zint nog nat…! Oenz' olde Heem - in truere - dat brech 'nen lätsten gròet, 'an 'em, - du'e weet en spuere - in woord en schrift zoo groot! 'Et olde Heem - diss' uere: dat brech, 'nen Eere-gròet!

Auteur: J.M. Legtenberg (uit: Jaarboek voor cultuur en historie 1954)

Geboren:   18-08-1894 Denekamp
Overleden:   08-01-1953 Oldenzaal
Vader:   Jan Adolf Dingeldein
Moeder:   Derkjen Arnolda Poppink
Publicaties:   E.A. van Spronsen, 'Bibliografie van W.H. Dingeldein', in: Uit leven en werk van W.H. Dingeldein, Enschede/Denekamp 1988
Laatst bijgewerkt op:   27-02-2014