Johanna ter Steege


Johanna ter Steege werd geboren op het Twentse platteland in de buurtschap Notter, gemeente Wierden. Ze groeide op met vier broers en zussen. Haar vader was eigenaar van een bedrijf dat keukens leverde. Haar grootouders hadden een boerderij. Volgens eigen zeggen had ze een zorgeloze kindertijd. Op de boerderij was ruimte genoeg. Ze ging mee als grootvader er met paard en wagen op uit ging om te hooien: “Dan zat ik boven op een berg balen en dacht ik dat de hele wereld van mij was”.

Het geloof speelde een belangrijke rol. De Gereformeerde kerk was in haar geboortestreek het grootste kerkgenootschap en als vanzelfsprekend ging ze naar “De School met de Bijbel”. Denken en doen binnen het gezin Ter Steege werden sterk beïnvloed door de geloofsleer. De vaste regels, normen en waarden werkten tijdens haar jeugd belemmerend, maar hadden ook een positieve kant: “Het dwong mij tot nadenken. Als ik het er niet mee eens was, diende ik te zorgen dat mijn verhaal overtuigend was. Dat heeft me nogal wat doorzettingsvermogen opgeleverd” (Interview Volkskrant 1995).

Toch heeft ze zich niet echt hoeven losworstelen uit het gereformeerde milieu, zoals je vaak leest in biografieën over kunstenaars, acteurs etc. Integendeel, ze beschouwt het als een geschenk te zijn opgegroeid in een evenwichtig gezin. Zowel ouders als grootouders hadden een goed huwelijk. “Er was liefde en bescherming, je kwam altijd thuis.”

Haar ouders hebben haar niet tegengehouden en hebben haar carrière van een afstand gevolgd, maar hoefden niet alles te weten over de inhoud van de films. Ook Johanna wilde hen niet opzadelen met de verplichting de films te bekijken. “Hun commentaar is meestal kort en krachtig, soms op het komische af. Gingen ze in Enschede eens naar Immortal Beloved kijken, was hun enige commentaar: “Was dat nou neudig, dat roare hoar?”

Op het voortgezet onderwijs blonk ze uit in Kunstgeschiedenis, waarvoor ze een 10 haalde op haar examen. Op haar zeventiende ging ze al op kamers wonen. Ze studeerde eerst aan de Sociale Academie en van 1979 tot 1984 aan de Academie voor Drama en Kunst in Kampen om te worden opgeleid tot docent dramatische vorming, het beroep dat haar aanvankelijk voor ogen stond. Tijdens deze opleiding maakte ze deel uit van de kindertheatergroep “Lijn Negen”.

Van 1984 tot 1988 doorliep ze de Toneelschool in Arnhem, waar ze naast de studie ook al in diverse toneelstukken speelde, o.a. in de klassieker Antigone van Sophokles. Nog tijdens haar opleiding aan de Toneelschool werd ze gevraagd voor de film Spoorloos (1987). Hoewel ze totaal slechts 11 minuten te zien is in de film, maakte haar debuut zoveel indruk dat ze verschillende prijzen ontving voor haar rol in Spoorloos, o.a de Europese filmprijs Felix en een Zilveren Beer op het filmfestival van Berlijn.

In 1988-'89 speelde ze bij Theatergroep "De Trust". Ze werd gevraagd door buitenlandse regisseurs, speelde onder meer in J’entends plus la guitarre (1991) de rol van de legendarische zangeres Nico van de Velvet Underground en speelde verder in door filmcritici goed gewaardeerde films als Sweet Emma, Dear Böbe (1992, van haar favoriete regisseur Istvan Szabo) en Immortal Beloved (1994, over het liefdesleven van Ludwig van Beethoven). Voor Sweet Emma, Dear Böbe ontving ze de Berliner Camera. In die eerste jaren van haar filmcarrière is ze wel eens vergeleken met Meryl Streep. Haar naturel acteren en ongekunsteldheid riepen associaties op met haar mede-actrice. Opvallend is dat Johanna selectief is: de rol moet haar aanspreken, maar ook de regisseur en liefst ook de tegenspelers. Niet voor niets speelde ze meerdere keren in films van de regisseurs Philippe Garrel en Istvan Szabo. Met een actrice als Glenn Close kan ze het ook goed vinden.

In 1995 zoekt ze het dichter bij huis. In de film "Tot ziens" (regie Heddy Honigmann) bezet ze de hoofdrol, waarvoor ze het Bronzen Luipaard van Locarno ontvangt, en vervolgens doet ze mee aan het het regiedebuut van Monique van de Ven, de kinderfilm "Mama's Proefkonijn". Dan volgen weer enkele buitenlandse films, waaronder de bekende film "Paradise Road" (1997) van Bruce Beresford waarin ze opnieuw aan de zijde van Glenn Close de rol van non speelt in een Jappenkamp op Sumatra. De opnamen werden in Australië gemaakt en namen twee maanden in beslag. In 1997 ontving ze tussen alle buitenlandse uitstapjes door de Cultuurprijs van de gemeente Wierden. Overigens spreekt ze het Twentse dialect goed en in interviews heeft ze aangegeven graag eens een rol te willen spelen in een Twentstalige film.

Op haar drieëndertigste trouwde ze met popmuzikant Jan Obbeek, bij wie ze in Amsterdam ging wonen. In 1998 werd haar dochter Hanna geboren. In 1999 kwamen er weer Nederlandse producties op haar weg. Eerst speelde ze Saskia van Uylenburgh in "Rembrandt", dan de hoofdrol in de Frans Weisz' film "Een vrouw van het Noorden" naar een novelle van Louis Couperus. Omdat ze nogal kritisch is bij het aannemen van rollen vliegt ze niet van de ene filmset naar de andere en komt ze ook toe aan ander werk. Zo toerde ze in 2000 met het toneelgezelschap "Het Oranjehotel" met het toneelstuk "" Kleine Eyolf" van Ibsen en speelde ze in januari 2001 de rol van Countess Geschwitz in het stuk "Lulu", dat onder regie van Jonathan Kent werd opgevoerd in het Almeida Theater in London en in Washington. Daarnaast geeft ze regelmatig les aan de Toneelschool in Arnhem, doet Masterclasses en heeft enige filmprogramma's gepresenteerd op Canal Plus.

Over haar manier van acteren zegt Johanna in een interview met het Twentse weekblad De Roskam: "Voor emotioneel belangrijke scènes ga ik altijd terug. Ik zoek ze in mijn eigen leven. Momenten. Afscheid nemen van je moeder, heel verdrietig. Istvan Szabo is heel belangrijk voor mij geweest. Zijn warmte voor de mens achter de auteur. Bij hem leerde ik dat het maken van een film intiem is." Enkele jaren eerder in een interview in de Volkskrant: "Mijn hand moet worden beetgepakt. Als ik werk geef ik intimiteiten prijs, heb het liefst geen geheimen, zeg ik het eerlijk als iets me hindert. Ik heb altijd ontzettend veel vragen. Sommigen hebben daar een hekel aan. Ze worden er zelf onzeker van". Ze noemt het voorbeeld van de regisseur Bernard Rose tijdens de opnames van Immortal Beloved. Toen ze hem om advies vroeg zei hij dat hij haar niet zou helpen en liep weg. Hij behoort tot de categorie regisseurs waar zij het niet van moet hebben. Geen acteursregisseur.

Ook de tegenspelers zijn belangrijk. Met hen moet ze ook een vertrouwensrelatie op kunnen bouwen. Een goed voorbeeld is de film "Verder dan de maan"(2003) waar Johanna, tegenspeler Huub Stapel en regisseur Stijn Coninx gezamenlijk hun rollen invullen. De films waarin ze speelde waren nooit echte kassuccessen, maar wel films die gewaardeerd werden door echte liefhebbers. Films ook die het steevast goed deden op filmfestivals. De tegenwoordig in Haarlem wonende Johanna gaat overigens niet graag naar filmfeestjes of andere gelegenheden waar de Bekende Nederlanders elkaar treffen. "Ik wil schitteren in de film, niet op gala-avonden. Ik zal geen pink verheffen om in de gunst van de roddelbladen te komen."

Ze blijft doorlopend films toevoegen aan haar filmografie. De laatste jaren speelde ze onder meer in Sergeant Pepper (2004), Guernsey (2005) en L’été indien (2006). Nog steeds wordt ze vaker door buitenlandse regisseurs gevraagd dan door Nederlandse. In 2006 gaat ze weer acteren op de planken in de toneelbewerking van de Stille Kracht van Louis Couperus. In interviews geeft ze aan weliswaar vaak gevraagd te worden voor ernstige rollen, maar eigenlijk in is voor alles, ook komedies - graag zelfs - , zolang het maar kwalitatief aanvaardbaar is. In soaps zou ze niet tot haar recht komen. Ze streeft altijd naar een zo groot mogelijke perfectie en in een soap is daar geen tijd voor.

In 2006 is Johanna de Gast van het Jaar tijdens het Nederlands Film Festival van 27 september tot 6 oktober in Utrecht. Hoewel bescheiden en een beetje verbaasd over de keuze voor haar, zegt ze in de vele interviews ter gelegenheid van dit eervolle feit dat ze graag bij de festiviteiten aanwezig is. In tegenstelling tot haar serieuze imago houdt ze wel van feesten, al betreft dat niet de feestjes waar de Bekende Nederlanders aanwezig zijn.

Ze speelde Greet Hofmans in de tv-serie Juliana, prinses van Oranje (2009) en in films als Restless en Tirza. In 2011 speelt ze samen met dochter Hanna in (ook als moeder-dochter) in Achste groepers huilen niet. Tussendoor zoekt ze het toneel weer op. Voor 'Overlast' (met Wim Bouwens) en de monoloog Hiroshima mon amour van Margurite Duras ontvangt ze uitstekende kritieken.

Tonny Peters 
Geboren:   10-05-1961 Notter (gem. Wierden)
Vader:   Dirk ter Steege
Moeder:   Hendrika Aleida Lammers
Echtgeno(o)t(e):   Jan Obbeek
Publicaties:   De grote ambities van Johanna ter Steege. In: Opzij. 1999, afl. 8, pag. 10-15. Hugo Camps in gesprek met Johanna ter Steege. In: Elsevier. 1997, afl. 37, pag. 42-47. Ik kan zoveel dat ik verdrink. In: De Volkskrant. 1995. Johanna ter Steege koestert klein geluk. In: De Roskam. 1998, no. 1/2, pag. 13-15. Er moet nog heel veel komen Ingrid Bosman Interview in: De Twentsche Courant Tubantia 23 september 2006 Filmografie
Laatst bijgewerkt op:   18-03-2015