Frans Stroink (1876-1956)


Albertus Francois Stroink werd op 25 maart 1876 te Willemsoord geboren, als zoon van Albertus Francais Stroink (1828-1900), burgemeester van de gemeente Steenwijker-wold, en Martina Aleida Hoogklimmer (1844-1941). Hij overleed te Haren (Gr.) op 26 juni 1956. De Stroinks zijn van oorsprong een Twentse familie, die al in 1333 in Goor voorkwam maar daarna in Delden te vinden was en zich vervolgens in Enschede vestigde. Zij zijn daar textielfabrikanten en -agenten geworden. Een tak van de familie werd in de achttiende eeuw in Oldenzaal geënt waar de Stroinks graanhandelaar en landeigenaar werden. Tevens bekleedden zij in die tijd het burgemeestersambt van die stad.

Albertus Franqois senior werd daar op 25 maart 1828 geboren. Hij werd in 1859 burgemeester van Gramsbergen en in 1864 van Steenwijkerwold. Kort daarna trouwde hij met Martina Aleida Hoogklimmer. Het echtpaar kreeg twaalf kinderen, van wie twee niet oud werden. Frans, over wie het hier gaat, was het zevende kind en de vierde zoon. Hij werd geboren op de verjaardag van zijn vader, zodat hij ook naar hem genoemd werd.

Na de lagere school in Willemsoord bezocht hij de Franse school in Steenwijk. Hij legde de afstand lopend af en daar deed hij anderhalf uur over. Hij heeft er overigens een goede gezondheid aan overgehouden. Vervolgens volgde hij in Zwolle bij Instituut Lohman en in Leeuwarden bij Instituut Poutsma een HBS-opleiding. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Enschede als ambtenaar ter secretarie. Daarna werkte hij veertien jaar in dezelfde functie bij zijn broer, die in 1900 hun vader als burgemeester van Steenwijkerwold was opgevolgd. Hij bekwaamde zich in de gemeenteadministratie en staatsinrichting en gaf daar zelf ook les in. 

In 1909 stelde hij een boek samen onder de titel Handleiding ten dienste van gemeentebesturen in de provincie Overijssel bij het verrichten van hun periodieke werkzaamheden. Tegenwoordig zou het een losbladige uitgave zijn geweest, maar toen was het een lijvig werk van 450 bladzijden. Albcrtus Stroink was in die tijd tevens secretaris van de Gezondheidscommissie, gezeteld te Steenwijk, in welke functie hij onder andere meewerkte aan de sanering van de armoebuurt Achter de Kerk. Dat de bewoners zelf niet erg blij waren met de afbraak van hun woningen, moge blijken uit het feit dat zij de nieuwe wijk, even buiten de bebouwde kom gelegen, waarin zij terecht kwamen, Tranendal noemden. Deze teleurstellende ervaring is hem later nog te pas gekomen.

In 1913 kwam er een grote verandering in Stroinks leven door zijn benoeming tot dijkgraaf van het waterschap Vol-lenhove. Hij volgde vier generaties van baronnen Sloet op. Van een nevenbetrekking werd het een volle dagtaak. De slechte afwatering in de kop van Overijssel, in de archieven meestal aangeduid als het Land van Vollenhove, en van Zuidwest-Drenthe had al jarenlang voor grote overlast gezorgd. De nieuwe dijkgraaf kreeg tot taak maatregelen te treffen. Het rijk begreep dat het welzijn van de bevolking er van afhing en was bereid bij te dragen aan de financiering van de kunstwerken, die nodig waren om de afwatering te verbeteren. Ook de provincies Overijssel en Drenthe bleken bereid het project financieel te ondersteunen.

Een belangrijke mijlpaal in de werkzaamheden was de totstandkoming van het stoomgemaal A.F. Stroink. In 1919 legde Stroinks echtgenote de eerste steen en op 9 juni 1920 werd het gemaal officieel geopend door de Commissaris der Koningin, graaf van Rechteren. Koningin Wilhelmina, vergezeld van prins Hendrik, bezocht het gemaal in 1921. Bij deze gelegenheid werd Stroink tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau benoemd.

De ingebruikstelling van het gemaal was nog maar de eerste stap op de weg van de ontsluiting van het gebied. De wens tot inpoldering van het waterrijke, uitgeveende gebied in de gemeente Giethoorn bracht een reeks ontwikkelingen op gang. Zo werd een plan gemaakt om een kanaal Steen-wijk-Giethoorn-Meppelerdiep te graven. Daarnaast ontwikkelde het ingenieursbureau Van Hasselt en De Koning een plan tot inpoldering van ettelijke gebieden tussen Ossen-zijl en Zwartsluis. Na vele tussenfasen te hebben doorlopen verscheen in 1925 het definitieve rapport van de commissie-Stroink, genoemd naar haar voorzitter. Deze commissie was ingesteld door het waterschap Vollenhove en had tot taak de plannen van genoemd ingenieursbureau te beoordelen. In deze commissie zaten ook vertegenwoordigers van rijk en provincie. Voor de uitvoering van het door de commissie enigszins bijgestelde ontginningsplan richtten de drie bestuursorganen vervolgens de NV Ontginningsmaatschappij 'Land van Vollenhove' op, met Stroink als directeur.

Dit betekende het begin van de gedeeltelijke bemaling, dat wil zeggen dat het gebied ten westen van het nieuwe kanaal, polder voor polder, werd drooggelegd. Nadat de drooggevallen gronden waren ontgonnen, werden er nieuwe landbouwbedrijven op gesticht. De streek verloor hierdoor weliswaar zijn specifieke karakter, maar landbouwkundig gezien kwam er iets goeds voor in de plaats. De aanpak van de ontginningsmaatschappij - met name bij de taxatie van de te onteigenen gronden - stuitte vaak wel op bezwaren van de plaatselijke bevolking, die meest uit kleine veehouders bestond. Zij verdienden doorgaans wat bij met rietsnijden en visserij. Zij zagen door de ontginning een deel van hun broodwinning verstoord.

Bovendien hadden zij het geld niet om deze relatief grote bedrijven te kunnen kopen en evenmin bezaten zij de nodige kennis om deze te kunnen exploiteren. Deze weerstand onder de bevolking is Stroink altijd zeer ter harte gegaan. Maar hij wist zich immer gesteund door rijk, provincie en waterschap, waarbij de beide eerste instanties de inpoldering, met het oog op de hoge werkloosheid in de streek, als welkome werkverschaffingsprojecten beschouwden.

Na de oorlog veranderden de inzichten en kreeg de inpoldering niet meer de benodigde maatschappelijke steun, zodat recreatiegebieden als de Weerribbcn in hun natuurlijke staat behouden konden blijven. Naast zijn drukke werkkring was Stroink iemand die zich in Vollenhove ook met het sociale en politieke leven bezighield. In 1917 werd hij in de gemeenteraad gekozen en direct ook tot wethouder benoemd, hetgeen hij bleef tot 1941 toen Stad- en Ambt Vollenhove verenigd werden. Hij was in de loop der jaren ook voorzitter van vrijwel alle plaatselijke verenigingen en instellingen, zoals van het Nut, het fanfarecorps, het badhuis en de Raiffeisenbank, en provisor van het Weeshuis.

In de provincie was hij jarenlang voorzitter van de Overijsselse Waterschapsbond en lid van Provinciale Staten voor de Vrijheidsbond. Als enthousiast jager was hij bestuurslid van de afdeling Overijssel van de Ned. Jagersvereniging. Eén van de emolumenten van zijn directeurschap was het recht om te jagen in de 'Gieterse' polders.

Toen Stroink dijkgraaf werd, was hij nog ongehuwd en verbleef hij bij zijn moeder in Steenwijk. Na zijn huwelijk woonde hij in Vollenhove; eerst op de - nieuw gebouwde -  havezate Hagensdorp, daarna in de ambtswoning naast het waterschapsgebouw en sinds 1935, na het overlijden van zijn schoonvader, op de havezate Oldruitenborgh. Dat bood ruimte om vooral 's zomers tal van gasten te ontvangen, waarbij mevrouw Stroink dan het middelpunt was. Na haar overlijden in 1939 hertrouwde hij met J.R. Rijkmans. Bij het bereiken van het pensioen op yo-jarige leeftijd, vestigde hij zich elders, waarna zijn gezondheid, die altijd zo goed was geweest, langzaam achteruit ging. Hij overleed op 8o-jarige leeftijd in Haren. Zijn naam leeft voort in het naar hem genoemde gemaal, dat zijn strijd symboliseert voor de ontwatering en daarmee voor de welvaart van het gebied dat hij van jongs af aan heeft gekend en gediend in velerlei functies.

Albertus Franqois Stroink trouwde op 4 april 1917 te Vollenhove met Maria Mechteld Florentina barones Sloet van Oldruitenborgh, geboren op Oldruitenborgh 31 juli 1884, overleden op Oldruitenborgh 18 februari 1939, dochter van Anthony baron Sloet van Oldruitenborgh, oud-burgemeester van Stad- en Ambt Vollenhove, en Frederika Margaretha barones Lewe van Middelstum. Uit dit huwelijk werden een dochter en een zoon geboren. Hij trouwde voor de tweede maal te Enschede op 14 januari 1941 metjohanna Roelina Rijkmans, geboren te Steenwijk op 16 oktober 1896, overleden te Haren 12 juli 1973. Zij was een dochter vanjacobus Rijkmans en Aaltje Nijsingh.

A.F. Stroink

Uit: Overijsselse biografieën
Geboren:   25-03-1876 Willemsoord
Overleden:   26-06-1956 Haren
Vader:   Albertus François Stroink, burgemeester te Steenwijkerwold 1828 - 1900
Moeder:   Martina Aleida Hoogklimmer 1844 - 1941
Echtgeno(o)t(e):   Maria Mechteld F. barones Sloet van Oldruitenborgh
Tweede echtgeno(o)t(e):   Johanna Roelina Rijkmans 16/10/1896 - 12/07/1973
Publicaties:   L. A. Stroink, P. Jonkers-Stroink, Kroniek fan de familie Stroink, Enschede 1981 H. van der Boon, Waterrijk Noordwest-Overijssel: Een hele zorg. Honderd jaar waterschap Vollenhove 1889-1989, Kampen 1989 H. van der Boon, De polders van het Land van Vollenhove, Kampen 1991 (diss.)
Laatst bijgewerkt op:   22-04-2014