Johannes Wijnbeek

archivaris

Johannes Wijnbeek (1882-1951)


Johannes Wijnbeek werd geboren op 23 november 1882 te Zwolle als zoon van David Wijnbeek, hoofdonderwijzer te Zwolle, en Geertruy Johanna van Dorp. Hij trad op 19 augustus 1913 te Zwolle in het huwelijk met Everdina Johanna Hendrika van Limburg (1884-1960). Uit dit huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. Wijnbeek overleed op 19 juni 1951 te Zwolle.

De naam Wijnbeek is vast verbonden aan de archiefkwestie die heel Zwolle in beroering bracht. In 1894 besloot de gemeente Zwolle niet langer geld uit te geven voor de instandhouding van het gemeentearchief. De rijksarchivaris van Overijssel, mr. L. van Hasselt bood aan, onbezoldigd gemeentearchivaris te zijn. Het Rijk en de gemeente sloten in 1898 een overeenkomst waarbij het gemeentearchief werd overgebracht naar het Rijksarchief, in de Zwolse Sassenpoort. Daarbij werd vastgelegd dat de rijksarchivaris dezelfde zorg zou besteden aan het gemeentearchief als aan het rijksarchief. De gemeente zou een 'geschikt ambtenaar' aanstellen om hem behulpzaam te zijn in de verzorging van het oud-archief van de gemeente.

Op 1 juni 1898 werd Wijnbeek, op vijftienjarige leeftijd, aangesteld als klerk bij het oud-archief van de gemeente Zwolle. Door de benoeming van J. Geesink tot amanuensis bij het Rijksarchief in Overijssel was deze functie opengevallen. De nieuwe rijksarchivaris mr. C. P.L. Rutgers wilde de gratis dienstverlening ter discussie stellen maar de gemeenteraad wenste daarover niet te corresponderen. Het gevolg was dat de rijksarchivaris zich vrijwel niet meer bezighield met het gemeentearchief en dat de dagelijkse zorg voor dat archief op de schouders kwam van de niet archivistisch geschoolde Wijnbeek.

In 1908 werd mr. Rutgers opgevolgd door dr. M. Schoengen die de feitelijke verantwoordelijkheid voor het gemeentearchief opeiste, zoals tussen het Rijk en de gemeente was overeen gekomen. Wijnbeek weigerde de werkzaamheden, die hij al jaren tot tevredenheid van de gemeente verrichtte, uit handen te geven. Schoengen was evenwel van mening dat de gemeenteklerk onbekwaam en ongeschikt was. Na talloze botsingen en pesterijen raakten de verhoudingen zo verstoord dat Schoengen aan Wijnbeek de toegang tot de Sassenpoort ontzegde. Zowel de plaatselijke als de landelijke pers wijdde talloze artikelen aan het conflict. Na een tendentieus onderzoeksverslag van de gemeente Zwolle en een ellenlang antwoord van Schoengen eindigde het drama in 1911 toen de gemeenteraad instemde met een voorstel van het college van B. en W. om de overeenkomst met het Rijk op te zeggen en het archief elders te huisvesten, onder de hoede van Wijnbeek.

Mr. LA. van Royen, burgemeester van Zwolle ten tijde van het conflict, schreef Wijnbeek bij diens ambtsjubileum in 1938 dat hij zich het moment herinnerde waarop de rijksarchivaris Wijnbeek had weggezonden met de boodschap dat hij niet meer terug hoefde te komen: 'Het wekt nog altijd mijn lachlust op toen de heer S., gevraagd naar de reden van zijn gedrag, te kennen gaf dat Wijnbeek de banden van de boeken lospeuterde om te onderzoeken of zij in menschenvel waren gebonden. Om ons ongeloof in deze verklaring te toonen hebben wij u op de secretarie geplaatst'. Op 1 januari 1913 aanvaardde Wijnbeek een functie op de gemeentesecretarie, acht jaar later werd hij chef van de afdeling Onderwijs en Algemene Zaken, tevens belast met Kabinetszaken van de burgemeester. Direct na de Tweede Wereldoorlog was Wijnbeek enige tijd waarnemend gemeentesecretaris.

Op 1 juni 1938 vierde hij zijn veertigjarige ambtsjubileum en werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Wijnbeek bekleedde verschillende ambtelijke bestuursfuncties. Hij was secretaris van de commissie voor salarisherziening, secretaris van de commissie voor georganiseerd overleg, waarvan hij deel uitmaakte namens de Nederlandse Bond van Gemeenteambtenaren. Hij was ook geruime tijd voorzitter van de onderafdeling Zwolle van deze bond. Wijnbeek is leraar geweest aan de bondscursus ter opleiding voor het diploma gemeenteadministratie en hij was secretaris van de afdeling Overijssel van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Tussen 1914 en 1921 was hij secretaris van het gemeentelijke fonds ter bevordering van de verzekering tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid. Het daaraan verbonden werk werd daarna overgenomen door de arbeidsbeurs, later de gemeentelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en werkloosheidsverzekering. Grote waardering genoot Wijbeek als vertrouwensman van zijn collega's en als vraagbaak met betrekking tot de geschiedenis van Zwolle. Naast zijn functies in het ambtelijke apparaat vervulde Wijnbeek talloze maatschappelijke functies. De belangstelling voor het christelijke onderwijs had hij van huis uit meegekregen. Hij was vijfentwintig jaar voorzitter van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs in Zwolle. In november 1946 werd hij tot erevoorzitter benoemd. Hij was voorzitter van de commissie van Toezicht op de Binnenvaartschool en voorzitter van de commissie van Huisvesting voor schipperskinderen in Overijssel en Drenthe.

In de mobilisatie 1914-1918 was hij secretaris van het Comité voor tijdelijke militaire tehuizen. Talrijk waren zijn activiteiten op kerkelijk gebied. Jarenlang was hij ouderling en scriba van de kerkeraad der Gereformeerde Kerk in Zwolle en voorzitter van de gereformeerde ziekenverpleging. Belangrijk was zeker zijn functie als secretaris van de Nederlands Bond van Jongelingenverenigingen op gereformeerde grondslag. In 1913 werd Wijnbeek gevraagd het secretariaat van het Uitvoerend Comité ter voorbereiding van het vijfentwintigjarige jubileum van de Bond op zich te nemen. Na de geslaagde Bondsdag was Wijnbeek een geziene figuur geworden in de Bond. Hij was tevens lid van het Overijssels moderamen.

Het vijftigjarige bestaan van de Bond, op Hemelvaartsdag 1938, was een hoogtijdag voor de Bond en zijn secretaris. De viering vond plaats in de RAI in Amsterdam, in aanwezigheid van vijftienduizend jongeren, minister-president Dr.H. Colijn en drie ministers uit diens kabinet. Wijnbeek leefde voor de Bond en de bondsgeschiedenis. Een belangrijk deel van het Gedenkboek, uitgegeven ter herinnering aan het veertigjarige bestaan van de Bond in 1928 werd door Johannes Wijnbeek geschreven.

Tijdens de Duitse bezetting van ons land werd Wijnbeek, na een huiszoeking in 1942, gearresteerd. Hem werd ten laste gelegd 'mehrere deutschfeindliche Schriften in Besitz gehabt zu haben' Na verblijf in de huizen van bewaring te Arnhem en Utrecht verbleef hij een tijdlang in het concentratiekamp Vught, waardoor zijn gezondheid sterk werd ondermijnd.

Auteurs: H.J.Aarts en J.J.A.Meyerink-Wijnbeek

Uit: Overijsselse Biografieën
Geboren:   23-11-1882 Zwolle
Overleden:   19-06-1951 Zwolle
Vader:   David Wijnbeek
Moeder:   Geertruy Johanna van Dorp
Echtgeno(o)t(e):   Everdina Johanna Hendrika van Limburg (1884-1960).
Publicaties:   Familiearchief Wijnbeek Gedenkboek 1888-1928, uitgegeven ter herinnering aan het veertigjarige bestaan van den Nederlandschen Bond vanjongelings verenigingen op gereformeerde grondslag, Kampen 1928 M. Schoengen, Antwoord op de Memorie van Toelichting tot het Voorstel van Burgemeester en Wethouders tot ontbinding van de overeenkomst tus-schen den Staat der Nederlanden en de gemeente Zwolle betreffende de bewaring van het oud-archief der gemeente Zwolle, Zwolle 1910
Laatst bijgewerkt op:   29-04-2014