Jan Matthijs van Rhijn

griffier

Jan Matthijs van Rhijn (1791-1860)


Jan Matthijs van Rhijn werd op 24 oktober 1791 te Zwolle geboren als oudste zoon van mr. Johannes Wilhelmus van Rhijn en Catharina Johanna van der Niepoort. Hij trouwde op huize IJsselvliet in de buurschap Spoolde nabij Zwolle op 24 oktober 1817 met Elisabeth Nilant (1792-1876), dochter van mr. Lucas Hendrik Coenraad Nilant en Gerharda Judith van Hoboken. Uit dit huwelijk sproten acht kinderen. Van Rhijn overleed te Zwolle op 14 november 1860. Van Rhijn werd geboren in een milieu van sociaal-economisch en politiek invloedrijke patriciërs. Zijn familie was geparenteerd aan oude Zwolse magistraatsfamilies en zijn vader oefende in Zwolle een advocatenpraktijk uit. Hij bezocht de Latijnse school te Zwolle en werd in 1808 ingeschreven aan het Athenaeum Illustre te Deventer. Zijn rechtenstudie aan de Utrechtse Universiteit sloot hij in 1811 af met een promotie.

Op 1 januari 1812 begon de jonge Van Rhijn aan een lange carrière als provinciaal ambtenaar. Van geëmployeerde (1812-1814) bracht hij het na de functies van eerste commies (1814-1819) en chef van de tweede divisie, het bureau financiën (1819-1833) tot griffier van de Staten van Overijssel (1833-1860). Gedurende deze achten veertigjarige loopbaan, die zich voltrok onder vijf gouverneurs c.q. commissarissen des konings, hield Van Rhijn zich met een groot aantal zaken bezig. Als chef van de tweede divisie was Van Rhijn onder meer belast met de behandeling van zaken betreffende de directe belastingen, tractementen en pensioenen, de provinciale rekening en begroting, en ook de controle op de gemeentelijke comptabiliteit. Voorts moest hij de brieven en besluiten van het provinciale bestuur concipiëren. Sedert 1831 was hem eveneens het toezicht op het archief opgedragen.

Na het overlijden van de griffier mr. Willem Steven van der Gronden op 25 december 1832, solliciteerde Van Rhijn naar deze betrekking. Aan familie en vrienden bekende hij hoezeer hij die post ambieerde. Op 12 september 1833 werd Van Rhijn benoemd en op 25 september legde hij de ambtseed af. Als griffier kwam Van Rhijn tweemaal in conflict met de gouverneur. Ernstig van aard was de aanvaring in 1842 met de gouverneur Joan Derk graaf van Rechteren van Ahnem over de provinciale begroting. Van Rechteren was zo verbolgen over Van Rhijns handelwijze, dat het weinig had gescheeld of Van Rhijn had zijn ambtelijke loopbaan kunnen beëindigen. De onenigheid werd na druk intern overleg in der minne geschikt. In 1848 betrof het conflict enkel de wens tot uitbreiding van de bevoegdheden van de griffier.

Van Rhijn hield zich - zoals veel van zijn stands- en tijdgenoten - bezig met het schrijven van gedichten ter viering van huiselijke aangelegenheden en met de genealogie van het geslacht Van Rhijn en aanverwante families. Zijn interesse in de genealogie en de munt- en penningkunde zal er zeker toe hebben bijgedragen, dat hij het in 1827 gelanceerde plan tot oprichting van een Algemene Bibliotheek te Zwolle van harte steunde. Doch dit zal niet de enige reden geweest zijn. Van Rhijn was al sinds 1819 lid was van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. In de periode 1821-1832 trad hij als secretaris van het bestuur op en in de jaren 1829, 1832 en 1840 vertegenwoordigde hij het Departement Zwolle op de landelijke vergaderingen van de Maatschappij. De Maatschappij streefde 'volksverheffing', verbetering van het algemene ontwikkelingspeil na, onder andere door het organiseren van goed onderwijs en het stichten van bibliotheken. Het is niet verwonderlijk, dat de kinderen Van Rhijn aan de Nutsschool onderwijs volgden.

Van Rhijn werd in 1829 tot lid van de raad van de stad Zwolle gekozen. Hoewel de raad hém als de nieuwe stadssecretaris had voorgedragen, werd in 1831 G. Luttenberg, protégé van burgemeester en wethouders, door koning Willem I benoemd. Tengevolge van zijn benoeming tot griffier werd Van Rhijn in 1833 eervol ontslag als raadslid verleend. Van Rhijn behoorde tot de oprichters van de Vereniging Odéon. Hij was tevens één van de aandeelhouders en maakte deel uit van het eerste verenigingsbestuur. Gedurende het revolutiejaar 1848 was Van Rhijn lid van de kiesvereniging 'Vaderland en Koning' en had hij zich aangemeld voor het korps Rustbewaarders. Toen Van Rhijn in 1860 overleed, meldde De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant in haar editie van 16 november, dat 'in de avond van 14 november jl. de door velen hoog geachte en bovendien ook als mensch algemeen beminde mr. J.M. van Rhijn was overleden'.

Auteur: J.J. Seekles

Uit: Overijsselse biografieën
Geboren:   24-10-1791 Zwolle
Overleden:   14-11-1860 Zwolle
Vader:   mr. Johannes Wilhelmus van Rhijn
Moeder:   Catharina Johanna van der Niepoort
Echtgeno(o)t(e):   Elisabeth Nilant (1792-1876)
Publicaties:   Gemeentearchief Zwolle. Administratieve archieven van de stad Zwolle en het Familiearchief Gelderman
Laatst bijgewerkt op:   15-04-2014