Johan van Rechteren

gedeputeerde voor Overijssel

Johan van Rechteren (1595-1641)


Johan van Rechteren werd omstreeks 1595 geboren als oudste en enige zoon van Zeger van Heeckeren van Rechteren en Margaretha van Munster. Hij huwde tweemaal: in 1616 met Joachima van Wijhe, bij wie hij eerst drie dochters en daarna drie zoons kreeg en in 1640 met Johanna van Heeckeren tot Roderlo. Deze laatste echt bleef kinderloos. Op 7 januari 1641 overleed Johan van Rechteren. Reeds ongeveer dertig jaar voor de geboorte van Johan was er een strijd uitgebroken rond de opvolging in de heerlijkheid Almelo en Vriezenveen, die sedert 1457 in het bezit van het geslacht Van Rechteren was. Deze onenigheid heeft in de eerste jaren van het leven van deze Van Rechteren ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld.

Johan, die niet geboren was als zoon van een heer van Almelo, kon wél aanspraken maken op de opvolging van zijn kinderloze oudtante Agnes van Westerholt, die sedert 1567 de heerlijkheid Almelo bestuurde als weduwe van Hendrik van Rechteren. Deze Hendrik, heer van Almelo, was de oudste broer was van Johans grootvader geweest. Doordat zowel zijn grootvader als vader geen oudere broers met mannelijke nakomelingen hadden, was Johan in theorie de eerstaangewezene om Agnes na haar dood op te volgen. Dit recht erkende zij echter niet. Agnes had namelijk in 1561 haar echtgenoot weten over te halen om de heerlijkheid aan haar broer, Herman van Westerholt, te verkopen. De rechtsgeldigheid van deze verkoop werd vanaf het begin door de andere Van Rechterens bestreden. Zij werden bij hun verzet gesterkt door een paar argumenten. In de eerste plaats was er het gegeven dat de koopsom nooit ontvangen was; er was slechts een schuldbekentenis overhandigd. Daarnaast lag er een tweede belangwekkend argument in het feit dat de heerlijkheid enkel vervreemd mocht worden met toestemming van de landsheer.

Deze kwestie deed zich voor in de periode 1561-1619 en dus speelde de scheiding van Overijssel, in het laatste kwart van de zestiende eeuw, in een Spaans kamp en een Staats kamp een duidelijke rol. De Staten voelden zich na 1578 souvereine bestuurders die de macht en rechten van de landsheer overgenomen hadden, terwijl daarentegen de Spaanse koning zijn rechten nog niet had losgelaten. Het waren uiteindelijk de Van Rechterens die, na het overlijden van Agnes in 1619, in het gelijk gesteld werden. In hoeverre het geholpen heeft, dat Johan, in tegenstelling tot Spaansgezinde Agnes, de Staatse zijde heeft gekozen en zich bekeerde tot de hervormde religie, zal nooit precies vastgesteld kunnen worden. Dat er een positieve werking vanuit is gegaan, staat welhaast vast. In elk geval kon Johan rekenen op de steun van de stad Almelo. Dit kan afgeleid worden uit het stadsprotocol. Reeds op 24 oktober 1616 verscheen Johan van Rechteren tot Rechteren en de Bredenhorst op het Almelose raadhuis, waar de vier burgemeesters hem hun beloften van trouw gaven. Toch zou het nog duren tot 1619 voordat de Staten van Overijssel een definitieve uitspraak deden in dit geschil.

Op 29 mei 1620 beleenden zij Johan met de heerlijkheid Almelo. Ongeveer vijfentwintig jaar oud en tien jaar nadat hij werd ingeschreven als juridisch student aan de hogeschool te Franeker, kon hij officieel beginnen met de uitoefening van zijn rechten in Almelo en Vriezenveen. Eerder, namelijk in 1618, was hij tot de Ridderschap van Overijssel toegelaten en had daarmee toegang tot de landdag verkregen. In 1625 werd hij aangewezen als gedeputeerde ter Staten-Generaal.

In 1634 kwam aan de uitoefening van deze 'politieke' functies een abrupt einde. Johan zou in 1633 zijn knecht Hans Kunst, alias Danders, om het leven hebben gebracht. Hoewel de familieleden van Hans Kunst nooit een klacht hebben ingediend en zich tevreden stelden met een een som geld, een zogenaamde 'moetzoen', had het incident gevolgen. De Staten van Overijssel besloten namelijk in het vervolg deze 'openbaeren dootslaegers' de toegang tot de landdag te ontzeggen. Johan zou nooit meer terugkeren in zijn functies, hoewel hij in 1637 daartoe nog wel een poging ondernam. Het feit dat hij geen toegang meer had, betekende niet dat hij iedere invloed verloor op de landdag. Volgens het destijds heersende recht was hem weliswaar persoonlijk de verdere toegang ontzegd, maar daarmee verviel voor het huis Almelo niet het recht om zich in de vergadering te laten vertegenwoordigen. Van die mogelijkheid maakte Johan onmiddellijk gebruik. Nog voor de resolutie in 1633 sloot hij met Willem Ripperda een overeenkomst voor een periode van zes jaar, waarin deze hem voor een bedrag van zeshonderd gulden zou vervangen.

De invloed van Johan op Almelo was aanzienlijk; hij was immers de heer over deze stad die, zoals reeds boven vermeld werd, in 1616 partij voor hem koos. Almelo was in de vijfendertig voorafgaande jaren herhaaldelijk het toneel geweest van allerhande krijgsgewoel tengevolge van de Opstand. Deze situatie verbeterde aanmerkelijk in het begin van de zeventiende eeuw en in de twintig jaar dat Johan op het huis aan de rand van deze stad woonde, kwam er een duidelijke bloei van de handel tot stand. Eén van de kooplieden uit de stad, de veertigjarige Arent ten Kinckhuis, werd in 1628 de eerste rentmeester voor het huis Almelo.

Van duidelijke betekenis voor Almelo en Vriezenveen was ook Johans invloed op het kerkelijke leven. Johan was de eerste heer van Almelo en Vriezenveen die tot de gereformeerde geloofsleer was overgegaan. Zijn functie als patronaatsheer van de kerken in zijn heerlijkheid bracht met zich mee dat hij als enige competent was om de predikanten te beroepen. Dit recht werd overigens op 2 juni 1620 bevestigd door Ridderschap en Steden naar aanleiding van de overgang van de Al-melose predikant Ledeboer van de lutherse naar de gereformeerde leer. Dat de heer van Almelo echter tegelijkertijd coulant omsprong met de volhardende katholieken binnen zijn gebied moge onder anderen blijken uit het feit dat er in het Catherinaklooster te Almelo in 1637 nog steeds zeven-twintig nonnen woonden, hoewel de Staten van Overijssel reeds in 1611 besloten hadden om alle kloosters te seculariseren. Na het overlijden van Johan van Rechteren in 1647 volgde zijn oudste zoon Zeger hem op als heer van Almelo.

Auteur: C.C. van der Woude

Uit: Overijsselse biografieën
Geboren:   circa 1595 Almelo?
Overleden:   07-01-1641 Almelo
Vader:   Zeger van Heeckeren van Rechteren
Moeder:   Margaretha van Munster
Echtgeno(o)t(e):   Joachima van Wijhe
Tweede echtgeno(o)t(e):   Johanna van Heeckeren tot Roderlo
Publicaties:   Bronnen RAO. Archief van het huis Almelo
Laatst bijgewerkt op:   15-04-2014