Janusz Debski

vluchteling in de Tweede Wereldoorlog

Janusz Debski


”Ik ben geboren als Janusz Debski op 25-08-1936 in Warschau, om precies te zijn in Oddzia Zoliborz. Het was een arbeiderswijk aan de stadsrand. Mijn vader heette Czeslaw Debski, geboren op 5 maart in 1908 en mijn moeder Janina Murawskà, op 15 maart in 1915. Wij woonden in woonblok dat uitkeek op een binnenplaats. Vader was lasser in een nabijgelegen fabriek, moeder zorgde voor ons thuis en deed huishoudelijk werk. Haar jongste broer Zdzisjek, mijn oom dus, woonde bij ons in. Hij was tien jaar ouder dan ik. In 1940 kreeg ik er een broertje bij, Wladek.

De oorlog was al een paar jaar aan de gang toen ik naar school ging. Vanaf ons huis reed er een tram naar toe. Daar stapte ik met andere kinderen in, reden we ongeveer een kwartier en dan ’s middags weer terug. We hadden les van 9 tot 2 uur. Er waren veel joden in de stad en er waren partizanen die zich tegen de Duitse overheersing verzetten. De Duitsers wilden de stad van beide groepen zuiveren. Daartoe verdeelden ze Warschau in delen en kamden stadsdeel voor stadsdeel uit. Voor dat doel moesten wij op een dag in 1943, ik weet dat het in de zomer was, ons huis uit. We dachten voor een nachtje en hadden niet veel bij ons. We liepen met al onze buren en nog veel meer mensen, naar het spoorwegemplacement niet ver van ons huis af. Daar stond een lange rij goederenwagons met schuifdeuren. Daarin moesten we slapen. Wij, de buren, de slager, de bakker en iedereen die bij ons in de buurt woonde. We dachten snel weer naar huis te kunnen. Mijn oom Henjek en tante Juta bijvoorbeeld woonden in een flat net aan de andere kant van de Wisla. Ook bij hen werd de buurt uitgekamd. Van hen wisten we dat ze na enkele dagen weer thuis waren. Ons verging het anders. Waarom weet ik niet. Die eerste nacht in de wagon werden we wakker. We hoorden allerlei geluiden. Het gaat niet goed, zei m’n vader. We merkten we dat een stoomlocomotief voor de rij wagons werd gezet en we werden weg gereden. Alles gebeurde in het stikkedonker, er was geen verlichting in de wagons. Er was een nare stemming onder de mensen.

Naar Ruhrgebiet
De trein bleef maar rijden. Overdag stonden we ergens stil, mochten we er uit en kregen we eten en drinken. Daarna ging het verder. Uiteindelijk belandden we in het Ruhrgebiet, in Ratingen nabij Düsseldorf. We moesten in een barak met prikkeldraad eromheen. Een kampement voor dwangarbeiders dus. Het was aan de rand van een woonbuurt. Daar woonden we een jaar lang met enkele tientallen mensen, mannen, vrouwen en enkele kinderen. Het eten en drinken was aan lange tafels met aan weerszijden banken. In een ander deel van de barak had je gestapelde bedden, drie hoog. En verder een grote kachel in het woongedeelte. Buiten was een wc- en washok. De volwassenen vertrokken ’s morgens om voor de Duitsers te werken. Vader en Zdzisjek werkten in een machinefabriek, moeder moest allerlei werkjes doen, zoals schoffelen en stenen sjouwen.

Er was in en om de barak niet veel om te spelen. Toch kan ik me niet herinneren dat we ons verveelden. Je nam alles zoals het was. Een Poolse vrouw paste op ons kinderen. Zelf had ze ook kinderen. Een Duitse kampbewaker legde het met haar aan. Als zij met elkaar aan het flikvlooien waren, kneep ik er als jochie van acht tussen uit. Kroop onder het prikkeldraad door en verkende de boel. Als bewoners van het kamp droegen we een P van ‘Polen’ op onze kleding, een witte P op een donkere achtergrond. Buiten het kamp ontdekten Duitse kinderen mij en moest ik me zo snel mogelijk uit de voeten maken, als een rat terug onder het prikkeldraad door, daarachter was ik veilig. Toch kon ik allengs de buurt aardig verkennen. Vlakbij was een café-restaurant waar ’s avonds dansen was en Duitse soldaten zich vermaakten. Op de achterplaats was een stortplaats waar het personeel ’s morgens de vuilnisbakken leegde. Op die plek vond ik peuken van sigaretten en ook sigaren. Ik wist van m’n vader en andere mannen hoezeer ze tabak tekort kwamen. Ze droogden kastanjebladeren en gebruikten die als tabak. Krantenpapier eromheen gerold en dan smoken. Ik zie m’n vader nog met zo’n rokende toeter voor z’n mond.

Elke keer als ik er tussenuit kon knijpen, dat lukte in negen van de tien gevallen, kwam ik terug met de broekzakken vol peuken. Dat alles peuterden we los en veegden de tabak bij elkaar. M’n vader maakte er nieuwe sigaretten van en verruilde die overdag onder de andere mannen voor eten of wat anders. Zo hadden we steeds wat extra’s en stond er op de grote kachel in onze barak altijd wel wat te pruttelen. Het eten dat ons steeds vanuit de gaarkeuken gebracht werd, was meestal zuurkoolsoep, tenminste vier keer in de week. Op een keer werd ik door de vrouw die op ons paste verraden. Ze vertelde de kampbewaarder, dat ik er soms tussen uitkneep. Ik heb van hem een vreselijk pak slaag gehad. Maar dat durfde ik m’n vader ’s avonds niet te vertellen, bang als ik was dat hij met de man op de vuist zou gaan en er nog meer problemen zouden komen.

Bombardementen
Naarmate de oorlog vorderde, kwamen er bombardementen. De geallieerden hadden het voorzien op werkplaatsen en ook op treintransporten, Er werd veel platgegooid, ook fabrieken waarin onze ouders en andere barakbewoners overdag werkten. De Duitsers kwamen met ons omhoog te zitten. Je merkte dat ze de handen vol aan zichzelf kregen. Er vielen gaten in de verzorging en de hulpverlening in ons kamp. Op een morgen werden we met z’n allen in een vrachtauto geladen en kwamen we in een ander kamp in Düsseldorf terecht, vanwaar onze ouders en de andere volwassenen dagelijks naar een werkplaats werden gestuurd. Totdat ook in dat gebied de boel werd kapot gebombardeerd en we na twee maanden in een trein werden gestopt naar Oberhausen. Die trein werd onderweg beschoten door geallieerde vliegtuigen. Die dachten dat het om een goederentransport ging. We vluchtten met z’n allen de wagons uit en zochten dekking in de berm, tot de kust weer veilig was. Terug bij de trein zag je sommige wagons met kogelregens doorzeefd.

Een eind verderop was het ook bij ons goed raak. M’n vader en broer zaten bij het raam en kregen glas in het gezicht. Er vielen veel doden en gewonden. M’n vader was er het ergst aan toe, hij zat onder het bloed en is naar een ziekenhuis gebracht. M’n broer had z’n gezicht ook kapot maar kennelijk minder erg. Hij ging tenminste niet naar het ziekenhuis. Moeder bond er doeken om. Het is een wonder dat Wladek geen infectie heeft opgelopen en in leven is gebleven. Nog steeds zie je bij hem grof litteken met een naad, vanaf z’n slaap tot aan de kin.

Na die beschieting werd iedereen uit de trein gehaald en over de stad verspreid onderdak gebracht. Het viel niet ons te huisvesten, er was al veel kapot gebombardeerd. Uiteindelijk kregen we een plek in een gevangenis in een klein hok met luiken ervoor. Die zaten los en zo konden we wat zien van de binnenplaats. Daar gebeurden geen leuke dingen. M’n broer en ik hadden het idee dat er soms mensen werden geëxecuteerd. M’n moeder deed alle moeite om er achter te komen waar m’n vader verpleegd werd. Dat viel niet mee met haar gebrekkige kennis van de Duitse taal. Toen ze eindelijk in het ziekenhuis terecht kwam, kon ze hem niet herkennen omdat z’n hoofd helemaal in het verband zat. Een dag later kwam ze terug en vond ze hem gelukkig toch. Hij heeft ongeveer drie weken in het ziekenhuis gelegen.

Wakker in Nederland
Nadat hij voldoende hersteld was, werden we met inmiddels een heel andere groep mensen, ook Russen, Fransen en anderen, opnieuw in een trein op transport gesteld. Dat ging zo een paar weken, kriskras door het land. ’s Nachts reden we, overdag hielden we ons schuil ergens op een traject in de bossen. De toestand in de trein werd steeds slechter. Er kwam minder eten we raakten vervuild en zaten onder de luizen. Zo werd ik op een ochtend wakker en bleek dat we in Nederland waren. De trein minderde vaart en kwam tot stilstand. De deuren gingen open en er werd gelucht. Op de trein waren Duitse militairen maar ze hadden ook Poolse handlangers, zeg maar NSB-ers, om ons te bewaken. Iedereen mocht naar buiten en ook links en rechts het talud op naar de straten aan weerszijden toe. Ze dachten dat we toch niet weg zouden lopen. M’n vader ging omhoog aan de kant van de Oosterstraat. Hij zag andere huizen en een land waar zo te zien geen oorlog was. Terug in de trein vertelde hij dat we in Hollandia waren. We stonden tussen twee bruggen in, die in de Noord Esmarkerrondweg en die van de Oostveenweg.

Naderhand begreep ik dat het stillstaande transport heel wat nieuwsgierige Enschedeërs heeft getrokken. Zo kwam ook m’n latere schoonmoeder kijken omdat ze via de radio over de trein gehoord had. Er waren mensen die met brood en water naar ons kwamen. Over het pad tussen de bomen rolde een wagen van de gaarkeuken aan.

Vanuit de trein merkten we op een gegeven moment dat de controle niet streng meer was. Ik hoorde mijn ouders overleggen wat te doen. Vader vond het zo dichtbij de Duitse grens te eng om weg te lopen. Hij wilde verder met de trein Hollandia in. Er waren berichten dat het daar beter zou zijn. Moeder vertrouwde die berichten niet. Het was al zo vaak anders uitgepakt dan we dachten. ‘s Avonds is ze met ons en haar broer Zdzisjek het spoorwegtalud omhoog geklommen. We zijn daar door bewoners van de Oosterstraat opgevangen en kwamen kwamen terecht bij de familie Weernink, vlakbij de fabriek van Jansen Chroom. Later volgde vader ook. Eerst verborgen zij ons op zolder, later in de kelder. Bang als ze waren dat wij alsnog door de treinbewaking zouden worden gesnapt.

Nieuwe locomotief
De volgende dag’s avonds werd ter hoogte van ongeveer café Kolk de locomotief vooraan losgekoppeld en naar Enschede gereden. Later kwam vanuit Gronau een nieuwe locomotief. Die reed de trein met nog een behoorlijk aantal mensen erin Duitsland weer in. Ik weet niet hoeveel. Mogelijk de helft. Aan de kant van de Oostburgweg zijn in ieder geval heel wat mensen ontkomen en de buurt in gevlucht. .Voor zover ik weet waren wij aan de Oosterstraatkant de enigen die eruit zijn gegaan. M’n ouders hebben na de oorlog geïnformeerd. We hoorden dat er bij Münster een personentrein door de geallieerden was beschoten. Vermoedelijk is het onze trein geweest. Nadat we enkele nachten bij de familie Weernink hadden geslapen, gewassen en al en in nieuwe kleren, werd voor een nieuw onderkomen gezorgd. Het bleek dat op de binnenplaats van Jansen Chroom een opslagloodsje stond, een huisje van witte planken en met enkele raampjes. Dat hebben ze leeg en uit elkaar gehaald en een eindje achter de fabriek in het weiland weer opgebouwd. Daar zijn we ingetrokken en hebben er enkele maanden gewoond.

In het begin hadden we aan alles gebrek. M’n moeder was in dezelfde bloemetjesjurk uit de trein gekomen als waarmee ze in Warschau was ingestapt, ook wij hadden steeds dezelfde kleren gedragen. Van alle kanten kregen we wat toegestopt. De bewoners van de Oosterstraat links en rechts van de fabriek spraken met elkaar af om beurten voor ons te koken. Ze kwamen elke dag met potten en pannen naar ons toe. Als kind moest ik wennen aan het Nederlandse eten. Stamppot bijvoorbeeld kende ik niet. Allengs maakte ik in de buurt contact met leeftijdgenootjes, we speelden en zwierven door de omgeving.

Bevrijding
Toen de geallieerden Enschede bevrijdden, was iedereen blij en was er feest natuurlijk. We hoorden we dat er op het grote terrein bij de Ramie Union aan de Gronausestraat van alles te doen was. Wij erop af. Ik keek m’n ogen uit, allemaal tanks, vrachtwagens, tenten en militairen. Een van hen hoorde ik Pools praten. Ik groette hem, hij was verrast zijn eigen taal te horen spreken. Het bleek dat hij bij een Poolse eenheid hoorde die bij de Ramie Union was neergestreken. Ik vertelde hem dat we daar en daar woonden en uit een Duitse trein waren gekomen. Nou, het duurde niet lang of er kwam een jeep voorrijden, waarin blikken boter, meel, suiker, cacao en kaakjes werden geladen, ik mee voorin, zo over de Noord Esmarkerrondweg over de brug en linksaf de Oosterstraat in. Een grote verrassing voor m’n ouders natuurlijk. Nu was het hun beurt om iedereen die ons geholpen had, van schaarse spullen te voorzien.

De buren kwamen met lege potten en pannen naar ons toe. Ik zie m’n ouders nog met lepels de boter en wat al niet meer erin doen. Eindelijk konden we wat terug doen. We hebben er een tijdlang goed van geleefd en er veel van kunnen uitdelen, ook omdat het restant van de rantsoenen bij de Ramie Union uiteindelijk bij ons werd opgeslagen. M'n oom Zdzisjek heeft zich bij de Poolse soldaten gevoegd. Hij kreeg een pak aangemeten en is verder met hen getrokken naar het noorden om Nederland verder te bevrijden. Na enkele maanden in het schuurtje achter Jansen Chroom te hebben gewoond, verhuisden we naar ’t Sander, en zijstraatje van de Hengelosestraat. Wij woonden daar in de voorkamer bij de familie Vrugteveen. De man had net als mijn vader geen werk. Ze gingen in het bos houtjes hakken voor de kachel. Ze laadden die op een handkar en gingen daarmee langs de deuren. Zo kwam er tenminste geld binnen.

Later kwamen we aan de Veilingstraat terecht met eindelijk een woning voor onszelf. Ik ging naar de Sint Janschool aan de Haaksbergerstraat. Nog weer later verhuisden we naar de Toekomststraat in Twekkelerveld en vervolgens naar de witte huizen aan de Castorstraat in de Sahara. Vader heeft meegewerkt aan de bouw van een noodkerk aan de Schietbaanweg, pastoor Holterman was daarvan de bouwpastoor. Vanaf die kerk stapten we elke dag met andere katholieke jongens en meisjes in een bus die ons naar de Mariaschool aan de Mekkelholtsweg bracht. Pastoor Holterman vond dat m´n moeder nog jong genoeg was voor gezinsuitbreiding. In 1948 is Jozef geboren. Hij is een verdienstelijk kunstenaar geworden en woont nu al vijftien jaar ten noorden van Toulouse in Frankrijk. Hij volgde in Enschede de AKI, heeft ondermeer voor het gerechtsgebouw in Almelo een drieluik gemaakt.

Later kwam ik bij ingenieursbureau Tebodin in Hengelo te werken en heb ik voor Jansen Chroom aan de Oosterstraat in Enschede een mooie opdracht in de wacht weten te slepen. Zo kon ik persoonlijk ook nog wat terug doen. In 1958 ben ik met Hennie Weggeman getrouwd. We kregen vier kinderen, Edward, Kristine, René en Monique. Overdag werkte ik en in m’n vrije uren bekwaamde ik me verder. Tot m’n 28ste was ik vrijwel elke avond weg en haalde ik alle diploma’s binnen die er te halen waren. Ik ben ambachtsschool-ingenieur, zeg ik wel eens. Steeds klom ik een trapje hoger. Zo werd ik Twents vestigingsdirecteur bij advies- en constructiebureau ADCO in Hengelo en runde ik ingenieursbureau IHN. Dat is later door de Grontmij ingelijfd. Op m’n 61ste ben ik met werken gestopt. Ik kijk er dankbaar op m’n leven terug, ook op m’n jeugd. Ik heb geluk gehad, realiseer ik mij.juist deze week verscheen een boek met foto’s van kinderen die de oorlog niet hebben overleefd. Het klopt dat mij twee kinderjaren zijn ontnomen. Maar voor een jeugdtrauma was ik denk ik nog te jong. Ik heb er tenminste niets aan over gehouden. Dat ik vrijwel nooit met de trein reis, is toeval.

Poolse gemeenschap
Aan het eind van 1945 hadden zich in Twente misschien wel enkele duizenden Poolse soldaten verzameld. Ze kregen de keus naar Engeland te gaan, zo als m’n oom ook heeft gedaan. Hij is later in Londen met een Engelse vrouw getrouwd. Veel jongemannen bleven hier. Ze kregen een baan in de textielfabrieken die allengs weer op gang kwamen. Zo vormde zich een Poolse gemeenschap in Enschede. In het Larinksticht aan de Noorderhagen, nu De Wonne, waren eigen kerkvieringen.

Om de veertien dagen kwam een Poolse priester naar Twente. De ene week was de dienst in Hengelo in een kerk tegenover de fabriek van Dikkers, dan bij ons in De Wonne. Ook waren er feesten. M’n ouders voelden daar niet zo voor. We zijn er niet vaak naar toe geweest. Wat m’n ouders in de oorlog hebben meegemaakt, heeft een stempel op hen gedrukt. Met hun gezondheid is het niet meer goed gekomen. Vader kampte ondermeer met een maagzweer. Toen hij begin vijftig jaar was, moest hij noodgedwongen stoppen met werken. Moeder was ook steeds ziekelijk. Zij is in 1991 overleden, mijn vader in 1995. Het laatst woonden ze aan de Zuid-Hollandlaan, niet ver van ons huis aan de Frederikastraat af.

In de jaren tachtig hebben mijn ouders zich nog aangemeld voor een financiele regeling voor mensen die in Duitse werkkampen hadden gezeten. Het Internationale Rode Kruis in Geneve beheerde een fonds daarvoor. Moeder heeft van alles opgestuurd, documenten en kostbare foto’s als bewijsmateriaal. Het eind van het liedje was dat ze er niet of niet meer voor die regeling in aanmerking kwamen. Tegelijk waren ze alle documentatie kwijt. Later bleek dat wij als kinderen ook een bedrag konden claimen. Toen hebben mijn broer en ik ook formulieren ingevuld. Maar ook dat heeft niets opgeleverd.”

Auteur: Jan ter Haar
Geboren:   25-08-1936 Warschau (Polen)
Vader:   Czeslaw Debski, lasser
Moeder:   Janina Murawskà
Echtgeno(o)t(e):   Hennie Weggeman
Laatst bijgewerkt op:   27-02-2014