Willem de Clercq

ondernemer en dichter

Willem de Clercq (1795-1844)


Na de Belgische Opstand van 1830 zocht de Nederlandsche Handel-Maatschappij nieuwe productiegebieden voor de in Vlaanderen geproduceerde ‘katoentjes’ voor de Indische markt. Twente was bij de directie der N.H.M. niet onbekend. De president der maatschappij, G. Schimmelpenninck, verbleef vaak op het buitengoed Nijenhuis bij Diepenheim en de directeur-secretaris, Willem de Clercq, had vroeger tijdens zijn reizen bij Almelose fabrikanten vertoefd. Bovendien had de vestiging van de uit Sint Niklaas afkomstige ondernemer De Maere in Hengelo de betekenis van Twente op de voorgrond geschoven. De calicots die de N.H.M. vanuit België naar Indië had uitgevoerd, zouden wellicht in Twente geproduceerd kunnen worden, mits men zich daar instelde op productie in het groot, waarbij er tegen een lage kostprijs gewerkt kon worden.

Een goede gelegenheid tot onderzoek deed zich in de zomer van 1832 voor, toen De Clercq met vakantie naar Gelderland ging. Van daaruit bracht hij drie dagen in Twente door. In Hengelo zocht hij De Maere op, die zijn bedrijf nog slechts op bescheiden schaal ingericht had, maar al wel met de snelspoel werkte. In Hengelo maakte hij ook kennis met de veelzijdige technicus Thomas Ainsworth, een Engelsman die daar in opdracht van De Maere bezig was met het installeren van een ‘inrichting’ voor het bleken en calanderen. Tijdens deze later nogal geromantiseerde ontmoeting bespraken de heren de mogelijkheden tot stichting van katoenfabrieken in Twente. De Clercq bezocht daarna nog Almelo en Enschede en sprak daar met ondernemers over mogelijke levering van katoenen stoffen voor de Indische markt. Hofkes in Almelo leverde dit product al voor de binnenlandse markt en wilde het Indische experiment best aangaan. Ainsworth kwam met een goedkoop alternatief plan voor de N.H.M. die vooralsnog, mede onder invloed van de Koning, graag meer werkgelegenheid in West-Nederland zag ontstaan. In plaats van grote fabrieken te stichten en Belgische arbeiders te halen, zou de op grote schaal aanwezige handweverij in Twente met de invoering van de snelspoel sterk verbeterd en vernieuwd kunnen worden. Hiertoe zouden weefscholen moeten worden opgericht. Willem de Clercq nam dit plan over en wist de N.H.M. te bewegen af te zien van het bouwen van een grote nieuwe fabriek in Holland en juist met veel minder middelen te investeren in de al bestaande nijverheid in Twente. De Clercq zag ook het belang van modernisering van spinnerijen: hij haalde de NHM over om aan Hofkes een voorschot te verstrekken tot het inrichten van een stoomspinnerij.

In 1836 steunde hij Thomas Ainsworth bijzijn plannen voor het bouwen van een modelweverij en vlasspinnerij en het oprichten van een agentschap van de N.H.M., waar de geproduceerde goederen in ontvangst genomen en gekeurd konden worden. Plaats van vestiging zou de te stichten plaats Nijverdal worden, waarvan de naam op de burelen van de N.H.M. bedacht werd.

Opvallend was De Clercq’s voorliefde – in Ainsworth had hij een medestander – voor ‘menslievende’ productiemethoden. Wantoestanden zoals toentertijd in Engelse fabrieken voorkwamen wilde hij niet. De nijverheid moest ten goede komen aan de bestrijding van de armoede en aan verkleining van de afstand tussen ondernemer en arbeider. De Clercq kwam op voor de kleine ondernemer, wanneer deze in de lijn van zijn idealen handelde en verdeelde de bestellingen dan ook vaak ‘in gemoede’. Grote ondernemers als Blijdenstein, Salomonson en Hofkes vonden dat ze onvoldoende kans kregen om te concurreren. Deze fabrikanten startten dan ook een particuliere export buiten de N.H.M. om. Uiteindelijk zou De Clercq de strijd verliezen en keerde het tij ten gunste van de grote ondernemingen. Door goedkoper te produceren beheersten zij de handel en met name de export naar Indië. Toen De Clercq in 1844 overleed konden de kleine bedrijven nog een paar jaar op vaste orders van de N.H.M. rekenen, maar daarna was het definitief voorbij voor hen.

Tekst: Redactie van deze website
Zie verder Biografisch Portaal
Geboren:   15-01-1795 Amsterdam
Overleden:   04-02-1844 Amsterdam
Vader:   Gerrit de Clercq, koopman
Moeder:   Maria de Vos
Echtgeno(o)t(e):   Carolina Charlotte Boissevain
Laatst bijgewerkt op:   27-02-2014