Johan Gigengack

schrijver en uitgever

Johan Gigengack (1933-1976)


Een vernieuwer in de Twentse (taal)beweging, maar wel een vernieuwer die op grote weerstand stuitte omdat hij zijn tijd en tijdgenoten te ver vooruit was. Johan Gigengack, telg uit een oud Hengelo’s kermisgeslacht, zorgt in het najaar van 1961 voor een kleine aardschok in de Twentse dialectwereld met zijn novelle ‘De boetenste duusternis’. Nog voor schrijvers als Jan Cremer, Gerard van ’t Reve en Jan Wolkers hun stenen in de landelijke literaire vijver gooien, zorgt Gigengack voor ophef door in de streektaal – overigens in alleszins bedekte termen - over seksualiteit en homofilie te schrijven. De conservatieve Twentse dialectwereld reageert geschokt en verontwaardigd. Collega-schrijver Johan Buursink noemt Gigengack op de regionale radio (RONO) een ‘pornograaf’ en ‘zedenvervuiler’. En in de Twentsche Courant trekt de latere hoofdredacteur Jan Oude Brunink ook ongekend fel van leer: ‘Want dit juist is het erge, het bedroevende bij “De boetenste duusternis”: dat het boekje de grenzen van de goede smaak meer dan eens bedenkelijk overschrijdt.’

Erkenning voor het baanbrekende werk van Johan Gigengack voor de Twentse taal als eigentijds, levend instrument van streekcultuur komt er pas (veel) later. Taalkundige Nicoline van der Sijs noemt ‘De boetenste duusternis’ zelfs ‘de eerste moderne roman in de streektaal’. En Frank Löwik stelt in zijn proefschrift ‘De Twentse Beweging’ (2003): ‘Hij wilde hiermee een poging wagen de streekliteratuur bij de tijd te brengen. Stedelijk denken kon volgens hem de Twentse “schrieveriej” verlossen uit het isolement waar ze in zat.’ De uiterst negatieve reacties op ‘De boetenste duusternis’ in een aantal regionale media raken Johan Gigengack dusdanig, dat hij geen enkel boek meer in het Twents zal schrijven.

Johannes Wilhelmus Maria (Johan) Gigengack, geboren op 20 mei 1933, is telg uit een oud Hengelo’s kermisgeslacht. Zijn beide ouders zijn doof. Al op de lagere school blinkt Johan uit in verhalen schrijven en tekenen en is dol op films, toneelstukken en de kermis. Na de lagere school wordt hij actief in de katholieke arbeidersjeugd (KAJ). Op zijn veertiende gaat Johan werken bij drukkerij Schutte & Stroop, waar hij het vak van zetter en drukker leert. Na een jaar kiest hij toch voor een priesteropleiding, maar op het kleinseminarie in Megen (Noord-Brabant) raakt hij betrokken bij de oprichting van het verenigingsblad ‘De Korenaar’ van de KAJ en schrijft hij ook zijn eerste boekje: ‘Geschiedenis van het geslacht Gigengack’. Via zijn leraar Duits op het seminarie komt Johan in contact met streektaalregionalisten en ontkiemt zijn liefde voor streekcultuur en dialect.

Na zes jaar zet Johan Gigengack een punt achter zijn priesteropleiding en kiest voor het schrijverschap en het uitgeversvak. In 1955 verschijnt zijn eerste Twentse verhaal ‘’n Duuvel oet Gelre’ als feuilleton in de Twentsche Courant. Tijdens zijn militaire diensttijd schrijft hij zijn eerste boek ‘Graedske’, een autobiografische novelle met dialogen in het Twents. Ondersteund door zijn leermeesters Johan Legtenberg en Gerard Vloedbeld sr. richt Johan Gigengack zich volledig op het Twents. In 1956 publiceert hij een kort Twents verhaal ‘Den wiezen holtrichter’ in de Driemaandelijkse Bladen van het Nedersaksisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. In datzelfde jaar richt Gigengack zijn eigen Nedersaksische Uitgeverij op en begint het tijdschrift ‘Twènterlaand en –leu en – sproake’. Hij publiceert daarin zijn eerste Twentse gedicht ‘Wat dö’s?’, maar het tijdschrift wordt ook een podium voor andere dialectschrijvers. Geheel in de geest van die tijd wordt de streektaal vooral gebruikt om een geromantiseerd beeld te schetsen van een lang vervlogen plattelandsleven. Als uitgever, schrijver en bestuurslid van de Twentsche Schrieverskring probeert Gigengack, gebruikmakend van een opleving van het Nedersaksisch, langzamerhand een eigentijdser vorm te vinden voor de streektaal. Samen met Gerard Vloedbeld ontwikkelt hij in 1959 een lessencyclus Twents op de regionale Kweekschool in Hengelo en beiden werken ook jarenlang aan het samenstellen van een Twents woordenboek.

In zijn vernieuwingsdrang gaat Gigengack met zijn novelle ‘De boetenste duusternis’ in 1961 voor velen te ver. Als kort daarna ook nog zijn vriend en mentor Gerard Vloedbeld overlijdt, stopt hij helemaal met het schrijven in het Twents. Ook het tijdschrift ‘Twènterlaand en –leu en –sproake’ wordt omgevormd tot een nieuw blad, dat een podium wordt voor actuele ontwikkelingen in Twente, kunstenaars en spiritualiteit: de Twentse Post. Een eenmanszaak in de ware zin van het woord, waarmee hij zijn gezin met zes kinderen moet onderhouden. Gigengack maakt het maandblad vrijwel in z’n eentje, van interviews, foto’s en eindredactie, tot vormgeving, zetten, drukken, verspreiden en administratie aan toe.

Tussen de drukke bedrijven door vindt hij nog tijd voor een nieuwe roman. In 1971 verschijnt de ‘De trap der vergezichten’. Een in het Nederlands geschreven essay over de zoektocht naar spirituele symboliek in kunstwerken van Twentse beeldende kunstenaars. In 1974 keert Gigengack toch nog weer terug naar zijn geliefde streektaal als uitgever Witkam hem vraagt een boek samen te stellen met Twentse woorden en uitdrukkingen. En een jaar later raakt hij opnieuw betrokken bij de Twentse taalbeweging als een nieuwe Kreenk vuur de Twentse sproak wordt opgericht. Het verschijnen van het eerste deel van ‘Twentse woorden en gezegden’ in 1979 maakt Johan Gigengack niet meer mee. Op 18 oktober 1976 overlijdt hij plotseling na een hartaanval.

Auteur: Ben Siemerink

Zie ook de Website over Johan Gigengack
Geboren:   20-05-1933 Hengelo
Overleden:   18-10-1976 Hengelo
Vader:   Augustinus Willem (Guus) Gigengack
Moeder:   Maria Cornelia (Marie) Franken
Echtgeno(o)t(e):   Maria Aleida (Lidy) Kronenberg
Publicaties:   Links en bronnen Werk van Johan Gigengack
Laatst bijgewerkt op:   05-03-2014