Jan van Arkel

bisschop van Utrecht

Jan van Arkel (1314-1378)


Jan van Arkel was de zoon van Jan III van Arkel en zijn tweede echtgenote Kunigonda van Virneburg. Als jongere zoon zou hij niet de bezittingen van zijn vader. Zoals te doen gebruikelijk trachtte hij een hoge positie in de geestelijke stand te bereiken.
Hiertoe studeerde hij onder meer in Parijs. Daarna ging het snel met zijn carrière, mede door protectie van aanzienlijke verwanten. Omstreeks 1335 benoemde de in Avignon residerende paus hem tot kanunnik van het Utrechtse Domkapittel en een jaar later ook van de St. Salvatorkerk in dezelfde stad. In 1340 overleed bisschop Jan van Diest, die wordt beschouwd als een ‘zwakke’ bisschop. Hij had grote schulden gemaakt en liet het Sticht achter als een speelbal van zijn machtige buren, het graafschap Holland en het hertogdom Gelre.

In 1340 was Willem IV van Holland voogd van het Nedersticht en Reinoud II van Gelre had vrijwel het hele Oversticht in pand. De benoeming van een opvolger was een ingewikkelde aangelegenheid in die tijd, waarbij veel partijen hun invloed aanwendden. Jan van Arkel, die de kandidaat was van de Utrechtse kanunniken en de steun van Willem IV van Holland genoot, werd uiteindelijk in 1342 tot bisschop benoemd.
Op dat moment was de toestand van het bisdom zorgwekkend. Niet alleen hadden de graaf van Holland, van wie Jan van Arkel geen marionet wenste te zijn en de hertog van Gelre het Neder- en Oversticht geheel in hun macht, maar ook gedroegen een aantal hoge heren, zoals Frederik van Hekeren (op Rechteren bij Dalfsen), Sweder van Voorst en de heer van Kuinre, zich als potentaten in het Oversticht.
Financieel zat het bisdom aan de grond. Drie keer zou Jan van Arkel zich tijdelijk in het buitenland te vestigen, wanneer de geldzorgen te groot werden en hij zijn hofhouding niet meer bekostigen kon.

Jan van Arkel bleek een goed strateeg, maar ook een goed diplomaat te zijn. Door gunsten te verlenen aan met name Kampen en Zwolle, wist hij deze steden mee te krijgen in de strijd tegen opstandige heren, die zich soms gedroegen als roofridders. Met steun van de steden loste hij het Gelderse pandschap in.
Hij wist de heren van Voorst, Rechteren en Kuinre weer (tegen betaling) op zijn hand te krijgen bij het verdedigen van het Oversticht tegen Gelderse aanvallen. Gevolg was wel dat de schulden weer behoorlijk opliepen.
Vanaf 1350 kenterde het tij ten gunste van Jan van Arkel. In Holland braken de Hoekse en Kabeljauwse twisten uit en in Gelre leidde de strijd om de opvolging van Reinoud II tot de Heekerense en Bronckhorster twisten. Jan van Arkel kon in beide delen van het Sticht orde op zaken gaan stellen.
Hij sloot met Deventer, Kampen en Zwolle een verbond om gezamenlijk de voornaamste adellijke heren in het Oversticht, waartoe ook Reinoud van Coevorden was gaan behoren, een toontje lager te laten zingen. Er werd bepaald dat er in de toekomst geen nieuwe kastelen meer mochten worden gesticht en bestaande niet meer versterkt. De bisschop versterkte de grenzen van het Oversticht, door onder meer Hardenberg te verterken en bij Bathmen het slot Arkelstein te bouwen.
Hij liet het roofslot Saterslo (bij Saasveld) afbreken en ondernam twee expedities om de opstandige Stellingwervers in het gareel te krijgen.

In 1361 stak Sweder van Voorst een gedeelte van Zwolle in brand. Met steun van de IJsselsteden begon Jan van Arkel op 28 juli 1362 aan een langdurig beleg van het zwaar versterkte kasteel Voorst. Toen het op de ‘gewone’ manier niet lukte een bres te slaan in de muren, greep Jan van Arkel naar een ongewoon wapen. Hij liet kadavers en andere vuiligheid in de grachten en over de muren werpen, wat een ondraaglijke stank en vergiftiging van het drinkwater tot gevolg had.
De bezetting van het kasteel gaf zich over, kreeg vrije aftocht en het kasteel werd met de grond gelijk gemaakt. In het jaar daarop verzoende de familie van Rechteren zich met Jan van Arkel. Wel werden zowel Rechteren als het Huis Almelo tot open huizen voor de bisschop verklaard. Jan van Arkel begreep dat hij de macht van de edelen niet geheel moest breken, dan zou hij weer veel te afhankelijk worden van de steden. Een langslepende kwestie, de verdeling van de polder Mastenbroek, kwam onder het bestuur van Jan van Arkel tot stand.

In 1363 werd de verdeling in een verdrag vastgelegd. Voor Kampen zou dit verdrag zeer gunstig uitpakken, zoals later zou blijken. De stad werd beloond voor de hulp bij de belegering van kasteel Voorst en kreeg, in plaats van een aandeel in de marke, de beschikking over dertig boerderijen op de eilanden, gelegen aan de IJsselmond.
Eén bepaling zou later belangrijk blijken, n.l. dat ook alle aangeslibte gronden tot Kampen zouden behoren. Zo verkreeg Kampen het Kampereiland, waaruit de stad in de eeuwen daarna veel inkomsten zou gaan halen.

Jan van Arkel was ook degene die in 1363 eindelijk – elders was dat al eerder gebeurd – het dijkrecht in het Land van Vollenhove regelde. De bisschop heeft tijdens zijn ambtsperiode gestreefd naar een goede relatie met zijn onderdanen. Hij liet rechten, plichten en vrijheden schriftelijk vastleggen in een soort landbrieven. Zo bepaalde hij zelfs dat wanneer de bisschop de rechten van zijn onderdanen schendt, de verplichting om hem te gehoorzamen vervalt.
In 1364 werd Jan van Arkel door paus Urbanus V overgeplaatst naar Luik. De stad Luik was daar zijn grote tegenstander en bleek ‘de vredelievende en goedige’ Jan van Arkel de baas te zijn. De bisschop van Luik werd van vrijwel al zijn macht beroofd. Jan van Arkel overleed in 1378 en werd begraven in de Domkerk te Utrecht.

Tekst: Redactie van deze website

Zie ook Biografisch Portaal
Geboren:   circa 1314
Overleden:   01-07-1378 Luik
Vader:   Jan III van Arkel
Moeder:   Cunigonde van Virnenburg
Publicaties:   Bronnen:
C.N. Fehrmann. Bisschop Jan van Arkel en het Oversticht. In: Kamper Almanak 1974/75, p. 151-168
Jan van Arkel in Wikipedia

Literatuur:
C.A. Rutgers. Jan van Arkel, bisschop van Utrecht. Groningen, 1970. 300 p.
Laatst bijgewerkt op:   29-05-2015