Willem Ripperda

edelman en diplomaat

Willem Ripperda (1600-1669)


Hang naar eer
In de zeventiende eeuw was het verlangen naar eer de belangrijkste levensvervulling van Overijsselse edelen. Hun hele aardse bestaan draaide om het verwerven van een goede reputatie en het vermijden van schande. Unico Ripperda. De vader van de omstreeks 1600 geboren Willem Ripperda lukte het niet de eer van zijn geslacht hoog te houden. In 1618 was hij als drost van Twente ten val gebracht, nadat rechtzinnige predikanten vanaf de kansel openlijk hadden geageerd tegen de in hun ogen zedeloze levensstijl van deze vertegenwoordiger van het landsbestuur. De drost moest de statenvergadering met gebogen hoofd verlaten en trok zich vervolgens vol wrok terug op Huis Hengelo. Daar vulde hij zijn dagen vooral met het voeren van een grote staat, het verfraaien van zijn havezate en seksueel vertier met zijn dienstmeiden. In Oldenzaal, waar in die tijd de Spanjaarden de scepter zwaaiden, onderhield hij ondertussen een nauwe vriendschap met hun gouverneur, dus met de vijand. Unico's laatste jaren waren ontluisterend. Een gezwel in zijn mond maakte hem het spreken en drinken uiteindelijk vrijwel onmogelijk. In 1625 stierf hij, 'miserabel end impotent' aldus een tijdgenoot.

Vader en zoon
In zijn jaren van glorie had Unico Ripperda daarentegen voldaan aan het toen geldende ideaalbeeld van adellijke eer: hij gaf blijk van een gezond verstand, toonde zich als officier onverschrokken in de strijd en liet zich kennen als een uitstekend ruiter en verwekker van een kleine schare bastaarden. Zijn omstreeks 1600 geboren zoon Willem Ripperda deed wat van een jong edelman werd verwacht. Hij trad al vroeg in de voetsporen van zijn vader, onder meer door het verwekken van een eerste bastaardzoon. Vanzelfsprekend werd hij ook officier. In 1623 nam hij het bevel over een compagnie ruiters van zijn vader over, wiens gezondheid toen al tanende was. Voor geweld schrok hij evenmin terug: in 1621 verwondde hij tijdens een schermutseling in Deventer een edelman omdat deze het op het drostambt van zijn vader voorzien zou hebben. Bij dit ene incident zou het niet blijven. Later deden zelfs geruchten de ronde dat hij een doodslag zou hebben gepleegd. Toen hij in 1633 om toelating tot de Ridderschap verzocht, moest hij eerst verklaren dat die verhalen onjuist waren. Een paar jaar later zag hij zich afgevaardigd naar de Staten-Generaal in Den Haag. Die snelle benoeming vormde een aanwijzing dat hij binnen de Ridderschap over veel 'krediet' beschikte. In 1646 volgde het hoogtepunt van zijn loopbaan in dienst van de Staten: zijn uitverkiezing tot Overijssels afgevaardigde naar de Munsterse vredehandel, onder toekenning van duizend carolusgulden voor zijn equipage. Door zijn aanwezigheid bij het ondertekenen van de vrede op 15 mei 1648 in het stadhuis van Munster leeft zijn naam voorgoed voort. Tijdens de onderhandelingen zelf maakte hij echter niet veel indruk. Een Zweedse afgevaardigde vond hem gierig en bovendien zowel de kant van Frankrijk als Spanje toegedaan, al naar gelang hij daar profijt uit dacht te trekken.

Façade van harmonie
Kort na de Vrede van Munster gaf Wiliem Ripperda de schilder J.P. Wijk opdracht voor het vervaardigen van een familieportret. Niet alleen het voor Overijsselse begrippen kolossale formaat (263 x 364 cm) maar ook de voorstelling zelf toont de ambities van een man op het hoogtepunt van zijn macht. De oud-ambassadeur zelf is gekleed als oude Romein, met zijn in 1642 overleden echtgenote Aleid van den Bouchorst en dochters Aleid Elisabeth, Anna en Nicolina. Verder zien we hun zonen Willem, Amelis en Unico, net terugkerend van een grote jachtpartij. Het portret toont een harmonieus gezin. De façade van harmonie zou al spoedig in elkaar storten. In 1652 overleed Amelis, van wie niet meer bekend is dan dat hij in Deventer studeerde. Drie jaar later huwde dochter Aleid Elisabeth met een katholieke Franse graaf. Haar bruidsschat van vijftigduizend gulden zou onbetaald blijven. Haar broer Willem was nog minderjarig, toen hij datzelfde jaar tegen de zin van zijn vader in Parijs trouwde met een zus van zijn nieuwbakken zwager. De oude Ripperda had nog geprobeerd de voltrekking van dit huwelijk door tussenkomst van de ambassadeur van de Republiek te verhinderen, maar die poging mislukte. Nadat er een zoontje, Ludovicus Willem, was geboren verzoende Willem senior zich uiteindelijk met het huwelijk van zijn zoon. Het ging tenslotte om een alliantie met een vrouw van aanzienlijke komaf, zo verklaarde hij later. De jonge Willem wilde in 1665 zijn Franse huwelijk echter annuleren om in de Meierij van 's-Hertogenbosch te kunnen trouwen met een vrouw van dubieuze reputatie, bij wie hij een bastaardzoon had verwekt. Hiermee haalde hij zich de woede van zijn Franse schoonfamilie en, opnieuw, van zijn vader op de hals. Van de Raad van Brabant kreeg hij weliswaar toestemming om huwelijksproclamaties af te laten kondigen, maar tot een huwelijk zou het niet meer komen. In januari 1666 werd hij vermoord in de Meierij. De toedracht van de moord is nooit bekend geworden; men zei dat zijn schoonfamilie er de hand in had. Het ergste moest voor de oude Ripperda echter nog komen. Terwijl hij zich inzette om de wettige geboorte van Ludovicus Willem ook door Ridderschap en Steden van Overijssel erkend te krijgen en zich begon voor te bereiden op zijn eigen dood, kwam zijn oudste zoon in opstand door publiekelijk te protesteren tegen zijn voorgenomen tweede huwelijk.

Vadermoord
Na de vroege dood van zijn echtgenote had Willem Ripperda twee zonen verwekt bij zijn minnares Elisabeth Herlet. Hoewel zijn relatie met haar binnen de grenzen van de traditionele adellijke moraal viel, bracht de wens tot een rechtvaardige verdeling van de erfenis onder al zijn kinderen hem ertoe zijn laatste dagen niet in concubinaat te willen eindigen. In februari 1668 werd het huwelijk tussen Willem en Elisabeth afgekondigd te Zwolle. Tot zijn woede protesteerde zijn zoon Unico, zijn enige nog in leven zijnje wettige zoon, echter publiekelijk tegen dit huweijk; ongetwijfeld omdat de echtverbintenis een drastische inbreuk op zijn erfdeel betekende. De Landdag waarop Unico zijn protest indiende, werd nu het toneel van een onverkwikkelijke familietwist. Onder de ogen van standgenoten en stedelijke afgevaardigden dienden vader en zoon het ene na het andere stuk tegen elkaar in. Het verzet van de stamopvolger had succes, aangezien de oude Ripperda in 1669 overeed zonder opnieuw te zijn getrouwd.

Gesmoord verlangen
Willem Ripperda liet een boedel achter die in desolate toestand verkeerde. Veel goederen moesten na zijn dood worden verkocht. Alles waar hij als edelman naar had gestreefd, was in duigen gevallen. Met zijn opstandige zoon liep het evenmin goed af. In het 'Rampjaar' 1672 werd hij verantwoordelijk gehouden voor de overgave van Zwolle aan de bisschop van Munster. Een door hem ingediend verweerschrift maakte weinig indruk. Een jaar later moest hij Leeuwarden ontvluchten, nadat hij in een herberg een graaf had doodgestoken. Na zijn overlijden in 1678 bleek dat hij als het ging om het maken van schulden niet onderdeed voor zijn vader. Wettig nageslacht liet hij niet na, bastaarden ook niet. Zo smoorde het verlangen naar roem van de Ripperda's op Hengelo in schulden, steriliteit en dood. In hun spectaculaire verdwijnen van het toneel van eer belichaamden de Ripperda's een adellijk historisch denken dat de wereldgeschiedenis zag als een rad van fortuin: een eindeloze cyclus van opkomende en weer ondergaande geslachten. De eerste Ripperda die zich, in het midden van de zestiende eeuw, in Overijssel had gevestigd, had het verdwijnen van de familienaam in het gewest al min of meer voorspeld. Een adellijk geslacht kan in honderd jaar opkomen en weer ondergaan, was een uitspraak van hem die enkele decennia na zijn dood werd opgetekend. Het was echter een glorieuze ondergang geworden, een teloorgang in stijl.

Auteur: dr. Conrad Gietman

Bovenstaande tekst verscheen als artikel onder de titel Het land van de Ripperda’s in Mijn Stad Mijn Dorp, historisch tijdschrift Overijssel, 2011, no. 2
Geboren:   01-01-1600
Overleden:   10-09-1669 Hengelo
Vader:   Unico Ripperda, drost
Moeder:   Anna van Doetinchem
Echtgeno(o)t(e):   Aleid van den Bouchorst
Publicaties:   Literatuur: Conrad Gietman. Republiek van adel: eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1555-1702). Utrecht, Van gruting, 2010 D. Jordaan JGHZn. Willem Ripperda In: Noaberschopp. 1934, p. 27-29.
Laatst bijgewerkt op:   15-04-2014