H. van Heerde

(Pseudoniem: Havanha)

journalist, publicist

H. van Heerde (1905-1968)


Op 1 oktober 1905 werd Hendrik van Heerde aan de Voorpoort in de Voorstad, een buurt bij Vollenhove, maar behorende tot de gemeente Ambt-Vollenhove, geboren als zoon van de koperslager en loodgieter Jan Berend van Heerde. Hendrik werd ambtenaar op het gemeentehuis van Zwartsluis, bij burgemeester Oprel en later burgemeester De Koning, vader van minister Jan de Koning. De antirevolutionaire beginselen die deze aanhing, waren ook in huize Van Heerde aanwezig, en vader Van Heerde wendde zijn contacten met AR-Kamerleden aan om zijn zoon een baan te bezorgen bij Abraham Kuypers krant ‘De Standaard’, wat overigens mislukte.

Uit de mislukte sollicitatiepoging kan worden afgeleid dat het Van Heerde binnen de muren van het Gemeentehuis niet beviel. Hoe dan ook wilde hij weg, en zo kwam hij eerst op een advertentiebureau in Leeuwarden terecht en later in een boekhandel in Arnhem. Zijn draai kon hij niet vinden en inmiddels waren de barre crisisjaren aangebroken. Een uitweg meende Van Heerde toen te vinden in misschien wel het meest bizarre avontuur van zijn bestaan, namelijk een aanmelding bij het Franse Vreemdelingenlegioen. Toen hij er in een Franse kazerne achterkwam wat de betrekkelijke zekerheid van een bestaan als legionair allemaal nog meer met zich meebracht, is hij gevlucht, in het diepste geheim terug naar het ouderlijk huis. Hij heeft nooit over zijn Franse avontuur willen spreken.

Leiding over nieuwe krant
Terug op het nest probeerde hij de eindjes aan elkaar te knopen door hier en daar een foto te maken en aan een krant te verkopen, een raadsverslag of een ander verslag te schrijven, iets waar hij in zijn tijd te Zwartsluis al mee begonnen was. De Meppeler krantenuitgever Boom ontdekte zijn journalistieke talent en gaf hem in 1935 een vaste aanstelling bij de Sluziger, het Nieuws- en Advertentieblad. In 1936 ging Hendrik in opdracht van Boom naar Kampen om een nieuwe krant op te zetten: het Kamper Nieuwsblad. Daar bleef hij als chef-redacteur voor werken tot aan zijn overlijden in 1968. Het leiding geven aan de krant ging Van Heerde goed af. Hij was behalve een vaardige journalist ook een bekwaam organisator.

Hij wist in korte tijd een centrale plaats in de Kamper samenleving te veroveren, met name in het Kamper verenigingsleven. Voor de Christelijke gymnastiekvereniging Wilhelmina schreef hij revues, waarin een toneelverhaal door gymnastische oefeningen onderbroken werd. Ook voor de Oranjevereniging schreef hij toneelstukken. Hij werd voorzitter van de middenstandsvereniging. Het wethouderschap (namens de CHU) bracht hem weinig plezier: hij hield er meer van om, in plaats van in een openbaar ambt, achter de schermen bezig te zijn. De krant bood daartoe de mogelijkheid. Onder het pseudoniem Poortwachter schreef hij een veelgelezen rubriek 'Onder de Poort', waarin hij appelleerde aan de burgerzin van zijn mede Kampenaren. Was iemand bijvoorbeeld een portemonnee kwijtgeraakt, dan maakte Poortwachter daar melding van. Meestal met het gevolg dat het gevonden voorwerp werd afgeleverd bij het redactielokaal aan de Oudestraat.

In de oorlogsjaren, nadat verschijning van het Kamper Nieuwsblad in juni 1942 verboden was, voerde hij de pen voor de directie Wieringermeer (Noordoostpolderwerken) en voor edities van het illegale blad ‘Strijdend Nederland’. Gegrepen bij een razzia in de Noordoostpolder, wist hij te ontvluchten en verder uit handen van de Duitsers te blijven.

Auteur van Garriet Jan en Annegien
Blijvende bekendheid, ook nu na vijftig jaar nog, verwierf hij niet als journalist maar als auteur van de verhalen over Garriet Jan en Annegien, die eerst in het Kamper Nieuwsblad, maar spoedig in alle door Boom uitgegeven kranten verschenen. Hij schreef deze verhalen in dialect, verre van gebruikelijk in die tijd. Hij maakte gebruik van een pseudoniem: Havanha, een klankweergave van zijn initialen, maar mogelijk ook een woordspeling met de naam van de sigaren die naar de Cubaanse hoofdstad genoemd zijn. Het is bekend dat Havanha een liefhebber van havannasigaren was.

De stukjes waren vanaf het eerste verschijnen mateloos populair. Uitgever Boom bundelde de verhalen in tien deeltjes, die tussen 1952 en 1968 verschenen. In 1982, veertien jaar na de dood van Van Heerde en het verschijnen van het laatste deeltje, verscheen een tweedelige omnibus en weer twintig jaar later in 2002 en 2003 werden de verhalen uit de serie van tien boekjes in twee kloeke delen heruitgegeven. Een halve eeuw na de eerste bundeling zijn de verhalen onverminderd populair gebleven. Overal waar de Boombladen gelezen werden, en na de bundeling zelfs in een nog grotere regio, werden en worden de verhalen van Garriet Jan en Annegien verslonden. Hendrik van Heerde schreef in een dialect dat herkenbaar was voor heel West-Overijssel, Zuid-Drente en Noord-Veluwe, ook al zag men de verschillen met de eigen taal.

Een rode draad in de verhalen zijn de vele technische vernieuwingen waarmee Garriet Jan kennis maakt: van grammofoon tot motorfiets, van ritssluiting tot stofzuiger, maar ook maatschappelijke ontwikkelingen als het kamperen. Het zijn allemaal zaken waar Garriet Jan voor het eerst mee geconfronteerd wordt. Hij begroet enthousiast alle nieuwigheden. Met dezelfde gretigheid waarmee hij zich op het hele leven stort, en in het bijzonder eten, drinken en feesten, omarmt hij wat op hem afkomt. Dat loopt meestal slecht af. Met één en soms twee benen staat de vroegtijdig uitgesaneerde boer nog in de oude samenleving en onkunde ten aanzien van de apparaten breekt hem niet zelden lelijk op. Als de techniek hem niet in de steek laat is er nog wel zijn vrouw Annegien om Garriet Jan tot de orde te roepen. Zij moet als echte cultuurpessimist niets van welke verandering dan ook hebben. Een meer pragmatische houding neemt Hendrik Jan, de zuinige neef van de Beulaker in. Hij is afwachtend, elke verandering is nog geen verbetering, maar wanneer de verandering geld blijkt op te leveren wil hij wel overstag gaan. Zo is hij al in een vroeg stadium in het bezit van een telefoon. Ook de andere personages reageren zeer stereotiep op die vernieuwingen.

De Garriet-Janverhalen zijn een twintigste-eeuwse Elkerlyc. De personages zijn geen personen van vlees en bloed, maar karikaturen. Zij verbeelden elk een geesteshouding die in de samenleving aanwezig is op het moment dat die samenleving met grote veranderingen wordt geconfronteerd. Kenmerkend is dat geen van de personages wordt genoemd met een achternaam, die hem of haar in de gemeenschap nader zou kunnen preciseren. Dat heeft er trouwens wel toe geleid dat lezers Garriet Jan met zijn schepper gingen identificeren.

De ik-vorm en de overeenkomsten tussen beide personen (hang naar avontuur en waardering voor het goede leven) hebben dat ook wel in de hand gewerkt, maar Van Heerde heeft dat zelf altijd ver van zich geworpen, vooral omdat hij niet wilde dat men Annegien zag als de belichaming van zijn echtgenote Bertha Antonia van Selm. Er is nog een figuur die met een zekere regelmaat in de verhalen terugkeert, maar die is tot het uiterste geanonimiseerd: de smid, van wie we zelfs niet de achternaam te weten komen. Veel innovaties, zoals de automatische telefoon, ziet Garriet Jan voor het eerst toegepast bij de smid. Door de familiebanden die Hendrik van Heerde had met de gelijknamige smidsfamilie in Vollenhove – de smid (Egbert van Heerde en diens zoon, ook een Hendrik van Heerde, 1903-1967) woonde en werkte aan de overkant van de straat bij zijn geboortehuis - moet hij verhalen over de vernieuwingen en de reacties daarop uit eerste hand hebben gehoord. Wat hem bij de visites in Vollenhove ter ore kwam, heeft hij in Kampen tot een verhaal uitgewerkt. Daarbij heeft hij de bron volstrekt anoniem gehouden. Dat zal deels met zijn journalistieke ethiek te maken hebben gehad. Van Heerde heeft zelf wel gezegd dat hij het hem geschonken vertrouwen, bijvoorbeeld voor delen van raadsvergaderingen die besloten waren (maar waar hij toch bij zat, omdat elders geen kachel was), nooit heeft willen schenden. Deels moet het ook bescheidenheid zijn geweest, of de wens om zijn familie uit de wind te houden. Maar een enkele keer krijg je de naam van de smid, gespeld als Van Eerde (en bij die gelegenheid ook geafficheerd als garagehouder!) te lezen.

Herkenbaar
Door zo algemeen mogelijk te schrijven, ook wat betreft geografische verwijzingen heeft Van Heerde een wereld geschapen die voor velen herkenbaar was. Menigeen moet in Garriet Jan een buurman of dorpsgenoot hebben herkend. Het gevolg is wel dat Van Heerde in Vollenhove als een Vollenhoofse schrijver wordt geëerd en in Kampen als een Kamper schrijver met een eigen tegeltje voor het oude raadhuis. Maar eigenlijk moet iedereen die de verhalen las, plaatsgenoot of streekgenoot, tijdgenoot of van een later generatie, het gevoel hebben gehad dat in de verhalen van Garriet Jan de eigen wereld werd beschreven zoals dat nergens anders in die mate gebeurde.

Taaalkundige H. Scholtmeijer bestudeerde het werk van Havanha en schrijft het volgende: ‘‘De karakters hebben weinig diepgang en de verhaalontwikkelingen hebben een grote mate van voorspelbaarheid. Maar de auteur had ook niet de pretentie om literatuur te schrijven. Maar hij was wel een goed schrijver. Net als bijvoorbeeld Simon Carmiggelt verstond hij de kunst om precies de goede woorden te kiezen als het erom gaat een stemming over te brengen’.

Naast de Garriet Jan verhalen schreef Van Heerde ook ‘Tussen vuur en ijzer’ over zijn eigen belevenissen als militair op de Grebbeberg in mei 1940 en ‘Jagerslatijn’ over zijn jachtervaringen.

Ter gelegenheid van zijn overlijden in 1968 gaf journalist Hans Wiersma een karakterschets van Hendrik van Heerde: ‘Voor de meeste Kampenaren kwam Van Heerde’s image als mens uitsluitend overeen met de figuur van de Poortwachter. Hij was – wat men noemt – een ‘irenisch’ mens: uiterst vreedzaam. Zo’n angst voor en zo’n hekel aan ruzies, controversen, meningsverschillen had hij, dat hij nog liever onrecht leed, of een twijfelachtig ongelijk aanvaardde, dan dat hij op zijn stuk bleef staan.’ Er was ook een andere Van Heerde, die vrijwel niemand kende: Havanha, de avonturier en de romanticus, en Garriet Jan, de kwajongen. ‘Maar de avonturier en de kwajongen pasten niet in de maatschappelijke verhoudingen die hij aankon, en daarom werden zij verbannen uit zijn levenspatroon. Maar H. van Heerde raakte niet gefrustreerd, dat hij in de maatschappij niet helemaal zichzelf kon zijn. De kwajongen en de avonturier vonden hun weg in de schrifturen. Hij bevrijdde zich schrijvend van hen’.

Tekst: redactie van deze website – deels overgenomen uit onderstaande bronnen.

Zie ook Canon van Vollenhove
Geboren:   01-10-1905 Ambt-Vollenhove
Overleden:   17-10-1968 Kampen
Vader:   Jan Berend van Heerde, koperslager en loodgieter
Moeder:   Aaltje van Brummen
Echtgeno(o)t(e):   Bertha Antonia van Selm
Publicaties:   Bronnen en literatuur: Havanha op de website van Henk van Heerde Hans Wiersma. Aangelijmde eendagsvliegen. 1976. Hans Wiersma. Hendrik van Heerde (1905-1968), Kamper journalist en publicist In: IJsselakademie, 1994, no. 3 H. Scholtmeijer. Havanha en het geheim van de smid: Hendrik van Heerde (1905-1968) In: Vollenhove, stad en vermaarde zonen. Kampen, IJsselacademie, 2005, p. 105-113 H. Scholtmeijer. De man achter Garriet Jan. Bij de honderdste geboortedag van Havanha In: Historisch Overijssel (2005), p. 7-11
Laatst bijgewerkt op:   06-03-2014