Jacob Hendrik van Rechteren van Appeltern

gouverneur van Overijssel

Jacob Hendrik van Rechteren van Appeltern (1787-1845)


Op 9 juli 1845 overleed te Spoolde op Huize IJsselvliet mr. Jacob Hendrik, graaf van Rechteren van Appeltern. In de morgen van 12 juli werd hij op de Agnietenberg begraven. De predikant L. Vroom zei in zijn grafrede, gekruid met de bloemrijkheid van de zegstrant van die dagen o.a.: „Van Rechteren zelf heeft gezorgd te blijven leven, ook nadat hij gestorven is en wie nu voortaan herwaarts snelt, zal op deze grafplaats wijzen, als op de laatste rustplaats van den Weldoener van dit gewest, den edelsten Menschenvriend - en de stem van tijdgenoot en nakomelingschap zal de hoofden des volks toeroepen: volgt hem na!" De Provinciale Overijsselsche Courant schrijft een uitvoerige necrologie, zo ook het Algemeen Handelsblad. Een goedbedoelend poëet zingt zijn treurmis uit: „Rust zacht; Gij Edel Mensch. Gij vriend van eiken braven".

Op 18 juli kiezen de Staten van Overijssel in plaats van Van Rechteren tot lid van de Tweede Kamer mr J. Cornelissen. Als deze bedankt, kiezen zij op 21 augustus 1845 J C. baron van Haersolte van Haerst. De berichten worden dan schaars. In de Overijsselsche Courant wordt op 29 juli 1845 gepleit voor een gedenkteken voor de man, „die in 10 jaar Overijssel een halve eeuw vooruit bracht". De Arnhemsche Courant meent dat een medaille moet worden geslagen, „die, overal verspreid, zou getuigen van de dankbaarheid der tijdgenoten". De Overijsselsche Courant herinnert op 5 september dat het niet bij wensen mag blijven. Wellicht heeft de aardappelziekte, die de krantenkolommen dag aan dag vulde, de gedachten afgeleid? Wat er van zij, het bleef bij de gevoelens. Op 14 juli 1846 geeft de Overijsselsche Courant een laatste en wel zeer prozaïsche bekendmaking omtrent Van Rechteren „Mr. J. A. van Royen notaris zal publiek verkopen: Eene aanzienlijke partij ordinaire en fijne Wijnen, behoorende tot de nalatenschap van wijlen den Graaf van Rechteren van Appeltern en zulks in onderscheidene kavels." Dan valt het doek!

Het zou zijn te betreuren indien deze werkelijk verdienstelijke magistraat en politicus in de vergetelheid zou blijven. Deze figuur leefde zo intens in zijn dagen, dat een benadering van zijn werkzaamheden ook duidelijker kleur geeft aan toestanden en gebeurtenissen gedurende het tweede kwart van de 19e eeuw. Ramaer veronderstelt in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek dat waarschijnlijk uit Van Rechterens zeer uitgebreide, in manuscript bewaard gebleven gedenkstukken een uitvoerig uittreksel is vervaardigd door mr A. W. Engelen onder de titel (anoniem) „Gedenkschriften van een voornaam Nederlandsch beambte, door Mr H. v(an) A(ppeltern)".

Ik acht deze veronderstelling onjuist. Dit boek bevat aantekeningen van een Nederlander, aangevuld door diens zoon. Het is gepubliceerd door H. v. A. in 1882. De zoon zegt, dat hij zelf 7 maart 1791 is geboren en dat hij de aantekeningen van zijn vader heeft gestoffeerd met eigen notities. Van Rechteren is 27 november 1787 geboren! Het schijnt mij onverklaarbaar dat een man die zo intens aan het gewestelijk bestuur heeft deelgenomen, in zijn notities niets zou verraden omtrent het provinciaal bestuur of de gewestelijke activiteiten, zelfs niet zo, dat door de tekst heen ook maar iets van het terrein van zijn overige openbare activiteiten blijkt.

Heel misschien is de bedoelde vader, de vader van Jacob Hendrik. Was de bewerkende zoon één van diens broers? Misschien zijn opvolger als gouverneur, J. D. graaf van Rechteren? Rudolph Chrisdaan des H. R. Rijksgraaf van Rechteren, heer van Wester-veldt, Wittenstein, Gerestein, Tull en 't Waal enz. en Anna Elisabeth van der Capellen, dochter van Jan Derk van der Capellen, heer van de Polle, Appeltern, Ahnem, Alpforst en Bredenforst, hadden immers 5 kinderen, onder wie de beide gouverneurs. Het schijnt echter veeleer voor de hand te liggen, dat de „Gedenkschriften" niets met de Van Rechterens hebben te maken, maar alles met de Van der Capellens, de familie van moederszijde. Dirk van der Capellen was destijds een strijdbaar republikein. Wat er van zij, de bewerkers van de aantekeningen hebben de strijdbaarheid kennelijk opgegeven. Uit de context maakt men op, dat de vader een republikeinsgetint heer was, hoewel zulks met omzichtigheid wordt versluierd.

Tenslotte was Herman van Appeltern een meermalen door mr A. W. Engelen gebruikt pseudoniem (vgl. „De Nederlandsche Spectator" van 1890, pag. 54 e.v. en „Wandelingen door Gelderland" van 1847, pag. 28).

Van Rechteren werd in Appeltern geboren uit een oud Gelders geslacht van militairen. Hij studeerde in Göttingen en verwierf er de graad van doctor in de beide rechten. De Van Rechterens waren van oudsher soldaat. Wellicht is dit medebepalend geweest voor zijn op de daad afgestemd optreden. Zo zag hem vooral Overijssel. Als hij 28 jaar is strijdt hij als vrijwilliger bij Waterloo. De soldaat verloochende zich moeilijk. Behalve provinciaal bestuurder in Gelderland was hij bevelhebber der schutterij. Het was tégen de schutterij van Twente dat hij als gouverneur zijn entree maakte. Nadien deed hij veel voor de verbetering van de uitrusting van de schutterij want daaraan ontbrak, zoals hij uit eigen waarneming in Twente had geleerd, zeer veel. De Souvereine Vorst wees Van Rechteren in 1814 aan, voor het Gelderse platteland zitting te nemen in de Provinciale Staten. Bij de verdeling der leden over de in 1816 gevormde districten werd hij lid voor het district Apeldoorn-Brummen. Op 18 september 1818 kozen de Staten hem tot gedeputeerde.

Het reglement voor de districten bepaalde dat elk district gedurende 4 jaren, 4 leden zou afvaardigen en gedurende de twee volgende jaren, 3 leden. In 1820 viel hij voor dit district af. In het district Nijmegen-Druten werd hij echter herkozen. Toen in 1826 bleek dat een liberaal in het district Nijmegen niet langer kans had, vaardigde het district Zutphen hem af. l Gedeputeerde Staten benoemden hem in juni 1820 tot lid van de commissie van landbouw. Deze commissie - het zij tot vertroosting van huidige landbouwcommissies opgemerkt - werkte van 1805-1853. Het archief der commissie berust in het rijksarchief in Gelderland. Mij ontbrak de tijd van dit archief kennis te nemen. Van Rechteren had tevens aandeel in het zoeken en tasten naar een algemeen Gelders rivierpolderreglement. Op 6 juli 1820 benoemden de Staten uit hun midden een commissie tot herziening van de bestaande dijk- en polderreglementen. Zij moest tevens een soort algemeen grondreglement ontwerpen.

Van Rechteren bracht als voorzitter reeds op 5 juli 1821 rapport uit aan de Staten. Een ontwerp-algemeen reglement was er bij gevoegd. Het rapport vond geen gunstig onthaal. Na veel overleg werd het ontwerpen van twee nieuwe conceptreglementen (een „administratief" en een „wetgevend") opgedragen aan een subcommissie, bestaande uit de heren Van Rechteren en Dijck-meester. Veel kwam er echter niet uit. Niet onaardig tekent een op het provinciaal archief van Gelderland berustende, ongedateerde memorie aan: „De subcommissie, het bezwaarlijke inziende, om aan het verlangen der kommissie te voldoen, en in den geest dezer vergadering nieuwe reglementen te ontwerpen, heeft tot heden toe de zaak laten rusten, immers van hare werkzaamheden nooit officieel kennis gegeven". Van Rechteren behoeft er bepaald niet op te worden aangezien. Weliswaar kwam in 1837 een algemeen rivierpolderreglement tot stand. Materieel veranderde er echter niet veel. Dit reglement werd bij K.B. van 23 september 1837 goedgekeurd. Dit K.B. werd voor Thorbecke aanleiding zich t.o. de houding van de regering te stellen, in een geschriftje: „Brief aan een lid der Staten van Gelderland over de magt der Provinciale Staten uit art. 220 der grondwet".

Ook is Van Rechteren in die tijd op rijksniveau actief geweest. Als grootgrondbezitter in het Land van Maas en Waal interesseerde hij zich voor de staat der grote rivieren. Alom werd de deugdelijkheid der dijken betwist. Een rijkscommissie uit 1821 had het maken van overlaten bepleit. Hoewel er een aantal is gebouwd bestond er grote oppositie tegen het 18 miljoenenplan der commissie. Een nieuwe commissie, ingesteld bij Koninklijk besluit van 7 juli 1828, waartoe Van Rechteren behoorde, kwam niet tot een definitief plan. Pas in 1850 kwamen Ferrand en Van der Kun zo ver! In 1831 gaf Van Rechteren een brochure uit. Mede aan de hand van kaarten bepleitte hij in plaats van de overlaten, voorgesteld door de commissie-1821, de dijken tot 40 cm boven de hoogste zomerwaterstand af te graven. Voor de noorder Lekdijk maakte hij een uitzondering. Van Rechteren vond weliswaar bekende waterbouwkundigen van zijn tijd aan zijn kant, maar de steen der wijzen had hij niet gevonden. Dat deden Ferrand en Van der Kun. Verbetering der rivieren was hun, voor ons zo simpele, vondst!

Bij Koninklijk besluit van 6 december 1830, nr. 59, werd Van Rechteren benoemd tot gouverneur van Overijssel. Het door Gedeputeerde Staten van Gelderland hem verleende ontslag als gedeputeerde is goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 30 december 1830, nr. 5. Uit deze stukken blijkt niets omtrent de datum van ingang van het nieuwe ambt. Ramaer noemt als entree-datum 26 januari 1831. Op die datum had hij echter al een merkwaardig en staatkundig historisch uiterst belangwekkende periode in 2ijn gouverneursloopbaan afgesloten. Nog rustig, in alle statigheid van het begin van de 19e eeuw, zetelend in „De Voorst" te Zutphen heeft hij zijn strategie geschetst. Alleen, haast maakte hij allerminst! Het leek wel of hij moeilijk op gang kon komen.

Mocht hij al met zichzelf hebben afgesproken zich eerst in het nieuwe jaar tot het gouverneurschap te zetten, tegen het eind van december 1830 wordt hij, hoewel hem dat geen reden geeft zijn afzondering op „De Voorst" op te heffen, door tal van geruchten, brieven en rapporten middenin de Twentse problemen gezet. Gedeputeerde Staten hadden hem nog nooit gezien. Het dossier Twente, omvattende een tijd van nauwelijks drie weken, is 20 cm dik: brieven, rapporten, zonder tal. Hoe zal de commies Van Schreven hebben gezwoegd. De deftige wandelstok van de griffier Van der Gronden zal iets kittiger de keien van de Diezerstraat hebben beroerd dan gewoonlijk. Er was periculum in mora. En de gouverneur-elect zat op „De Voorst"; ver weg in Zutphen. Zelfs de minister van Binnenlandse Zaken ad interim, Van Doorn, wordt, hoewel Van Rechteren met hem in correspondentie staat over de Twentse troebelen, ongerust over de onverstoorbare graaf. Van Rechteren had in een brief van 31 december 1830 mogelijk de minister medegedeeld dat hij wegens oudejaar was afgereisd naar goede vrienden in Arnhem, want het antwoord van de staatsraad Van Doorn is gericht aan: „den Heere Graaf van Rechteren, Gouverneur der Provincie Overijssel, thans te Arnhem".

Die brief van Van Doorn is van een uitmuntende stijl en een exempel voor hoffelijke terechtwijzingen. „Eerst heden namiddag (2 Januari]) heb ik uwe beide brieven van den 29 en 31 December ontvangen", aldus de ouverture. Na hem o.a. te hebben medegedeeld dat Zijne Majesteit heeft bewilligd in Van Rechterens voorstel troepen ter beschikking te stellen, besluit Van Doorn: „Hiermede de verdere leiding dezer gewigtige zaak aan U Hoog-geboren overlatende, met verzoek om mij stiptelijk van den loop derzelve en van alles wat in de aan uwe zorg toevertrouwde Provincie belangrijks voorvalt geïnformeerd te houden, acht ik mij echter verpligt UHooggeboren aanteraden, om zich ten spoedigste naar deszelfs residentie te begeven. Ik heb de verzekering, dat die raad met Zijner Majesteits verlangen overeenstemt. Uit den aanvang dezer zal UHooggeboren hebben opgemerkt, dat deszelfs brieven van 29 en 31 December mij beide te gelijk en eerst heden zijn toegekomen. Ik meen ook hierop deszelfs aandacht te moeten vestigen."

Van Rechteren nam niet onmiddellijk een koets naar Zwolle. De gouverneur moet nog even op zij voor de soldaat. Zijn het wellicht ook de brieven van de commies bij het provinciaal bestuur geweest die hem versterkten in zijn visie op de Twentse affaire? Prikkelden deze berichten hem met zijn gouverneurschap een begin te maken in Twente ? Dirk van Schreven was voor een ambtenaar een vrijmoedig en ondernemend man. Op 30 december schrijft hij Van Rechteren: „Onbekend met het tijdstip van Uwer Excellenties overkomst alhier en onbewust of de fungerende Heer Gouverneur of de Heer Griffier Uwe Excellentie onmiddellijk kennis zullen doen dragen van den staat van zaken in Twenthe heb ik het van mijnen pligt geacht, Uwe Excellentie medetedeelen dat heden alhier de tijdingen zijn binnengeloopen van het niet opkomen en vertrekken van een groot gedeelte der rustende schutterij in Twenthe . . . het schijnt dat deze kwade voorbeelden en andere dezer dagen plaats gehad hebbende ongeregeldheden (hoezeer kleine) om der gevolgen wille, hoe eer hoe beter behooren gekeerd te worden." Op 5 januari stuurt hij per estafette een nieuwe brief op eigen gelegenheid. Andermaal dringt hij aan op tussenkomst, terwijl hij er aan toevoegt, dat de heren Ter Pelkwijk (fungerend gouverneur) en Van der Gronden (griffier) niet afweten van zijn correspondentie, „kunnende ik Uwe Excellentie niet verbergen dat men algemeen alhier zeer naar Uwer Excellenties overkomst verlangt".

Nochtans voelt hij zich niet op zijn gemak. Voor zijn vrijpostigheid vraagt hij verschoning. En hiermede blijkt hij toch ook weer echt ambtenaar te zijn! Hij voegt een kaart van Overijssel bij in de hoop daarmede de gouverneur van dienst te zijn; hierop heeft hij alle plaatsen waar het onrustig is, aangestreept. De estafette Albertus Woelders krijgt een lastbrief mee naar Zutphen. Dit stuk is gedateerd „6 januari 1831, des morgens te zes uren". Met een zucht over zijn superieuren en het nachtelijk uur zal hij daarop zijn stukken hebben geordend. De normale werkdag was van elven tot drieën. Waar zijn de dagen van olim? De estafette is vlug geweest. Van Rechteren tekent op de lastbrief aan „ontvangen den 6en Januarij 1830 des namiddags om 2 uuren. Ik begeef mij op morgen tijdig na Twenthe. In haast. Ik ga voorlopig na Goor. Van Rechteren." Er komt beweging in de onbereikbare. Hij is klaar. Van Schreven heeft de primeur. Van Rechteren voegt een brief aan Gedeputeerden met een soortgelijk bericht bij! De graaf overziet zijn schaakstukken. Als goed raadsheer ziet hij de Koning voor mat beschermd. De wisseling van de stukken zal niet veel tijd nemen. De gouverneur gaat. De tien jaren nemen hun loop.

Het bedwingen van het Twents oproer en het herstel van de goede verhoudingen met de jonge natie bepaalt zijn eerste en, in staatkundige verhoudingen gezien, zijn meest betekenende werkzaamheid. Niettemin is door onze, al te zeer op de parlementaire handelingen afgestemde, staatkundige geschiedenis zijn mede-optreden met de negenmannen van 1844, ten onrechte, als zijn nationaal meest spectaculaire - en dan nog en passant vermelde - daad vermeld. De onrust in Twente was een laatste, openlijke en heftige oplaaiing van verzet tegen integrale invoeging in het nationaal geheel. Geheel Overijssel heeft het overigens met deze invoeging van de eerste tijden van onze groei tot Nederlandse staat af, bijzonder moeilijk gehad. Voor Twente kwam daar nog bij dat het geografisch, en daardoor ook economisch en cultureel sterk was gebonden aan de Duitse landen. Kaarten uit de 17e, 18e en ook 19e eeuw laten duidelijk zien hoe het hooggelegen Tubantië aan de noord-, west- en goeddeels ook aan de zuidzijde was afgesloten door veen, plassen, en moeras- sen. Twente leidt zijn eigen, op het Heilige Roomse Rijk gericht, leven. Salland en het Land van Vollenhove, geaccentueerd door de hanzesteden Deventer, Kampen en Zwolle hebben hun geheel andere internationale - immers op de zeehandel gerichte - belangen.

Van 1580-1630 kende Twente overigens een geheel eigen bestuur, waardoor Overijssel staatkundig in tweeën lag. Salland en Vollenhove hadden een stadhouder en een statenvergadering die toen republikeinsgezind waren. In Twente zetelde te Oldenzaal de drost Otto van Egmond met het Hof van Kanselier en Raden. Twente had een eigen belastingadministratie. De internationale bindingen van alle Overijsselse landschappen maakten dit gewest nu niet bepaald tot een brandpunt van de sedert de 16e eeuw groeiende nationale éénwording. De „eigenheerlijkheid" van Twente tot 1630 accentueerde zulks voor dat deel van Overijssel in hoge mate. De opgelegde groei naar éénwording ging gepaard met tranen door onderdrukking en knechting. Met name aan Twente is veel leed berokkend. De tranen kwamen er waarachtig niet uit sentimentaliteit. De Twent is verre van overgevoelig. Wel heeft hij sterke nawerking - het kenmerk van de cholericus. Overijssel had niet meegedaan aan de Unie van Utrecht. De Acte van Verlatinghe is in de Staten-Generaal aangenomen zonder dat Overijssel was vertegenwoordigd. Dr J. C. H. de Pater heeft dit duidelijk aangetoond. Voor dit gedeelte van mijn opstel heb ik mede geput uit zijn belangwekkende beschouwingen.1 Van de aanneming van Anjou tot landsheer had Overijssel zich gedistancieerd. Het is onjuist te menen dat een en ander zou zijn te verklaren uit de omstandigheid dat de bevolking in dit gewest voor het overgroot deel katholiek was gebleven. De gereformeerde minderheid vormde immers de sociologische dominant en het optreden van het openbaar bestuur werd door deze dominant bepaald! De drosten van Twente, Vollenhove en Salland en de bestuurders van de hanzesteden bepaalden het optreden buiten het gewest. De invloed van de ridderschap in de Staten en naar buiten werd tevens door de dominant beheerst. Zwolle wilde overigens Anjou niet, omdat hij papist was.

Op de Landdag in Kampen van 3 juni 1585 twistte men over de voorgenomen aanbieding van de souvereiniteit aan Elisabeth. De ridderschap en Kampen zijn vóór. Zwolle toont zich onzeker. Deventer is vierkant tegen. Het gereformeerd Deventer blijft gekant tegen de afzwering. „Unsers erachtens solde het fur eine lichtferdicheyth geachtet worden, dath in unser macht niet en is, for tho willen nemen und unsen landfursten, als sommige provinciën dan noch sonder einige frucht gedaen hebben, tho willen abiurijsen, und uns van den eden, dairmeds wij einen anderen verplicht, selvesth tho willen absoloyren tegen het excempell van David in den spelunken mith Saule, und voele godtsaligen volke." In zoverre de gereformeerden te lande er - overigens zonder veel vrucht, stellen de Deventernaren ironisch vast - al anders over denken, die van Deventer persisteren bij de onrechtvaardigheid van de afzwering. Dacht men daarbij aan de handel van de IJssel-steden met Spanje en Portugal? Was men jaloers op de wol die Holland spon bij de nieuwe status quo? Waren het de rond 1580 bandeloos door Overijssel trekkende onbetaalde troepen van Matthias van Oostenrijk waarvoor dit gewest de soldij moest opbrengen?

Bij de historische beoordeling moeten al deze factoren worden vermeld. Nochtans vereist de houding van de generaliteit t.o.v. Overijssel, en Twente in het bijzonder, aandacht bij verklaring van de Twentse opstand, al was de politiek van Willem I daarvoor de onmiddellijke aanleiding. Overijssel had de soldij-betaling geweigerd. Het waren generale lasten. Het gewest had zich van deelneming in die lasten gedistan-cieerd (geen lid van de Unie!). De boeren grepen zeisen en dorsvlegels tegen de Oostenrijkse plundertroepen. Het Staatse leger van Hohenlohe hakte het boeren-legertje in de pan. Op 30 juni 1584 werd Hohenlohe door de Staten-Generaal, zonder dat de Staten van Overijssel waren gehoord, bevolen Salland, Vollenhove, Twente en Drente te verwoesten, om de Spanjaard Verdugo de pas af te snijden. Toen hielden de boeren zich schuil, hun verzet was reeds gebroken en het land lag onbebouwd.

Overijssel had zo juist de brandschat van f 5.000.— tot f 7.000.—-per maand verhoogd. Alle pogingen om de onzalige resolutie van 30 juni in te trekken faalden. De moord op 10 juli op de Prins werd titel tot weigering! De Staten-Generaal overwogen immers dat intrekking niet juist zou zijn, omdat de resolutie was genomen op advies „van Zijne Excellentie hochloffelicker memorie". Pas in december gaven zij bevel de verschroeide-aarde-politiek te staken!

Aan de aanstelling van Leycester tot landvoogd in januari 1586 had Overijssel geen deel. Het legde de eed aan de landvoogd niet af en benoemde geen lid in de Raad van State. Overijssel voelde zich dan ook vrij op eigen gelegenheid met Leycester te gaan praten. Het had immers nimmer de Unie getekend! Hoewel Adolf graaf van Nieuwenaer - opvolger van Rennenberg - het sterk had afgeraden, ging een Overijsselse delegatie naar Utrecht (april 1586) om te bepleiten:dat het gewest niet zou mogen worden belast met contributies zonder voorafgaand consent; dat de IJsselsteden niet met een garnizoen zouden worden belast zonder hun toestemming. Bemoedigend was het resultaat niet. Holland was woedend wegens dit „kwaad exempel", namelijk het rechtstreeks onderhandelen met een buitenlandse mogendheid. Deventer werd in januari 15 87 door de landvoogd bezet. Het werd - ironisch slot - Spaans door het verraad van de commandant Stanley. De Staten-Generaal snijden tengevolge van het bezoek van Overijssel aan Leycester de relatie met dit gewest formeel af. Pas 9 december worden weer gedeputeerden van Overijssel ingeschreven op de presentielijst.

Ik heb gemeend deze data te moeten releveren omdat bij de Overijsselaars de brandwonden, opgedaan in de smidse van de eenheidsstaat, nog wel eens najeukten, met name bij de Twenten, wier contreien deerlijk waren verschroeid, ten dienste van een Republiek waarmede zij economisch, bestuurlijk, noch sociologisch enige binding hadden. Eeuw na eeuw deden er onder boeren en knechten bij haard en midwinterhoorn lugubere verhalen over de brandschattende Hohenlohe en de berekenende Generaliteit de ronde. Er waren redenen te over! In de verre, maar tevens in de meer nabije historie! Het Twents platteland verkeerde in de i8e eeuw in diepe armoe. De drosten belemmerden de katholieken in godsdienstige aangelegenheden. Een eindweegs in de 196 eeuw was de armoe nog vrij algemeen. Het gaat gisten in België. Invloedrijke Twentenaren leggen contacten met België vér voor 1830. In België breekt tenslotte de opstand los. In Twente worden de schutters gemobiliseerd in verband met de algemene bewaping!

Hoewel de leidinggevende Twentenaren de relaties met de Belgen inmiddels hadden verbroken, omdat hun duidelijk werd dat deze, in plaats van een georganiseerd godsdienstig verzet, veeleer een revolutie in democratische zin voorbereidden, was deze distan-ciëring tot het volk van Twente geenszins doorgedrongen. De leus: „voor altaar en haardsteden" leefde te sterk! De Overijsselsche Courant van n januari 1831 bericht: „De Heer-schende geest in Twenthe inzonderheid in Oldenzaal verlamde sedert eenige tijd de handhaving van het wettig gezag en vele tot den dienst geroepene schutters onttrokken zich aan de eerste en edelste verpligting van ieder nederlands burger, de verdediging namelijk van den grond zijner geboorte!"

De onrust in Twente was mét die in België gegroeid. Ze had dezelfde aanleidingen. Voor België en Twente, maar ook voor Salland. Die van Wij hè hadden zich in 1829 tot de gouverneur gewend wegens de vertraging van het concordaat met de H. Stoel en de „onevenredige verdeeling der gunsten en ambten tusschen de belijders der verschillende godsdiensten". Men toornde tegen het verschil in bezoldiging van de geestelijken der door de wet gelijkelijk erkende godsdiensten. Men voelde zich onderdrukt terzake van opvoeding en onderwijs. In de Koninklijke besluiten sedert 1825 had Willem I alle onderwijs aan staatstoezicht onderworpen.

In 1830 requesteerden die van Enschede, Oldenzaal en Ootmarsum bij de gouverneur. De grondwet had het openbaar onderwijs tot voorwerp van aanhoudende zorg der regering verklaard. Zij vroegen zodanige interpretatie: „zooals dezelve behoord uitgelegt te worden, dat men geene bedenkingen stelle, waardoor men ons gemoed beangstigd en in haar tederste punt aanrand". Talrijk waren de petionnementen die de regering van uit de katholieke streken bereikten. Tal van vooraanstaanden hadden deze medeondertekend. Reeds bij brief van 23 mei 1829 had de minister van Binnenlandse Zaken, Van Gobbelschroy, vanuit Brussel de gouverneur van Overijssel geschreven een oogje te houden op de burgemeesters en secretarissen, die verzoekschriften aan de Staten-Generaal „tot herstel van de zoogenaamde grieven der Natie" ondertekenden. Van hun houding moest de gouverneur bericht zenden aan „de heer Administrateur van Binnenlandsche Zaken".

Op 9 april 1830 wordt de gouverneur hieraan herinnerd door minister De la Costé . Bij voordrachten tot benoemingen zal de gouverneur moeten mededelen „of zij door hun gedrag en hunne gevoelens het vertrouwen des gouvernements verdienen en of zij hoegenaamd geen deel aan de hiervoren vermelde verzoekschriften hebben genomen". Wenst de gouverneur toch een voordracht te doen dan dient hij „met de meest mogelijke nauwkeurigheid optegeven, hetgeen als laakbaar of dubbelzinnig in hunne wijze van handelen te beschouwen is, tevens de bijzondere redenen ontvouwende welke UHEG bewegen hen aan het Gouvernement voortedragen". Hoewel het in Salland en de meest westelijke van de Twentse gemeenten rustig blijft, wordt oostelijk Twente roerig. Ook in het land van Maas en Waal en in het Rijk van Nijmegen ontstonden woelingen bij het oproepen van de schutters. Ook hier werd gewapenderhand opgetreden (medio januari 1831). E. W. van Dam van Isselt was bevelhebber van de tuchtigingscolonne. Omtrent de stijl van diens optreden in het Maas- en Waalse bestaat verschil van inzicht.

(Zie: dr J. H. J. M. Witlox „De Katholieke Staatspartij" 1919, deel I; dr Nuyens in „Onze Wachter" 1883, II, pag 237 e.v.; De Bosch Kemper „Geschiedenis van Nederland na 1830", I, pag. 101; W. E. van Dam van Isselt (nazaat van majoor van Dam) „De beteugeling van de onwillige schutters in januari en februari 1831" in: Bijdragen voor Vaderlandse Geschiedenis en Oudheidkunde, vijfde reeks, eerste deel, pag.'s i e.v. en 259 e.v. en „Een voorbeeld van partijdige geschiedschrijving" in: Bijdragen enz. zevende reeks, derde deel, pag 289 e.v.)

Vaststaat dat Van Dam in het door hem gesticht tijdschrift „De Wespen" (voor het eerst in 1846 bij Van Nifterik te Amsterdam verschenen) nogal onbesuisd tegen wat hij placht te noemen „het ultramontanisme" te keer ging.

In Brabant ontstonden woelingen als in Twente en het Maas- en Waalse niet; naar algemeen gevoelen wegens de strenge bewaking en de feitelijke positie van „bezet gebied". In het najaar van 1830 wordt in Twente de eerste ban van de schutterij opgeroepen. De schutters moesten, met hun burgemeesters voorop, naar Deventer trekken. De katholieke schutters hadden daaraan allerminst behoefte. Het is ook wel moeilijk aan een „eerste en edelste verpligting" te voldoen als je daarmee de eerste en edelste gevoelens van anderen, die je daarenboven zelf deelt, te vuur en te zwaard moet gaan bevechten. Zo was immers de volksstemming. De schutters van Denekamp, Haaksbergen, Oldenzaal, Ootmar-sum, Tubbergen en Weerselo vonden elkaar. Zij kwamen soms in Haaksbergen, meestal in Oldenzaal bijeen. In de straten schoten zij hun geweren en pistolen af, dronken veel jenever en neigden soms tot ernstiger daden. Volgens tijdgenoten waren er in Oldenzaal weigestelden die aanschaffing van geweren, kruit en lood bekostigden. Er werd echter veel beweerd!

Landelijk was een buitengewone heffing ineens opgelegd. De schutters molesteerden de rijksontvanger in Haaksbergen. Daar was echter het optreden van die man niet vreemd aan. Dr J. Ter Pelkwijk (fungerend gouverneur) schreef op 24 december 1830 aan de griffier der Staten: „De naam des heeren ontvangers te Haaksbergen heb ik niet kunnen lezen doch uit de kinderachtige hand heb ik van dien heer geen zeer groot denkbeeld opgevat. Waarschijnlijk heeft hij zich bij de invordering der buitengewone heffing niet zeer geschikt gedragen en zich een pak slaag bezorgd heeft." De burgemeester van Haaksbergen tekent op 26 december 1830 aan dat de ontvanger „zich als een kind en als een beschonkene en onvoorzichtig mensch heeft gedragen". Behalve de historische achtergronden, de concrete achterstellingen, de ontstellende armoede en het provocerend gedrag van rijksambtenaren speelden ook de knoeierijen bij de lotingen een rol. Kennisnemende van het dossier komt men steeds tegen, dat ook het laatste door de schutters wordt gesteld. De schutters van Tubbergen schrijven (het stuk is ongedateerd maar rond 15 december verzonden) „Aan de heer Ecelensie te swolle. Wij doon U te weten dat wij niet willen uittrekken met de Schutterie wijl onze burgemester niet eerlijk lotet heeft en er nommers getrokken zijn en weder in de bus gedaan en ook heeft hij jongens nu vrijgesteld die heden haden met ons moten uit trekken maar die hebben seker moten geld geven zoals in de franse tijd ... maar anders zijn wij niet onwillig tegen de Konig maar wij willen onze regt hebben dat de Konig ons ook tokend . . .".

Op 15 december schrijven de schutters van Oldenzaal in dezelfde geest. Zij vroegen nieuwe loting. Alvorens zij zullen afmarcheren verzoeken zij hun officieren uit hun midden te mogen kiezen. Verder schrijven zij: „Wij willen geen Evers" (die Evers was de rijksontvanger te Haaksbergen, tevens kapitein der schutterij), „geen Hopman De Vries, want die zijn ons vertrouwen niet waardig." „Duisterlingen" zijn het, „die op de wegen van het Geluk, zeker niet door hun zeer zedig gedrag zijn voortgeholpen . . . wij moeten met een goed voorbeeld worden voorgegaan maar zulke officieren moeten ons gegeven worden die meer liefde voor het vaderland hebben als voor hunne Tractamenten. Ex Selentie verlost er ons van, zij hebben zoo lang van het Vaderland gegeten en gedronken laten zij nu ook eens voor het Vaderland vegten." Aan dit en aan de fouten bij de lotingen wijten zij de voorgekomen desertie die zij betreuren.

Het wordt erg onrustig in Twente. Er worden briefjes allerwegen gevonden. Verscheidene worden door de officier bij de rechtbank in Almelo naar het provinciaal bestuur gezonden zoals: „Voor het kruis", „Weg met of dood aan de Koning", „Oproer", „Plunderen". Het briefje op pag. 248, af b. i, is met documenteninkt getekend. Het is niet door een ongeletterde vervaardigd naar het mij toeschijnt. Er waren ook protesterende briefjes (zie pag. 248, afb. 2). Het is duidelijk wie als „uitbroesel van de helle" en „werktuigen van de duivel" te boek stonden. De gevoelens worden heftiger. Op de pastoors wordt scherp toegezien. Het wordt de aartspriester van Twente, L. Engbers, daarom te gortig. Op 20 december 1830 reageert hij op een brief van de fungerend gouverneur van 13 december, waarin deze hem had verzocht zijn invloed aan te wenden de rust te bevorderen. De aartspriester schrijft vanuit Vasse: „Ik heb mij gehaast, dat nog door rondzending van boden, de schriftelijke aanvoering van de Decreten der Wetten, welke de manschappen wel degelijk ver-pligten en overige opwekking tot onderwerping, nog voor Zondag den 19 Dezer ter kennis der Pastoren konde gebragt worden, om daar van het nuttig gebruik te maken."

Maar dan komt Engbers los, aanvankelijk aarzelend, maar tenslotte klinkt rechtmatige toorn uit zijn antwoord als hij de schuld voor de ontwikkeling die de zaken hebben gekregen terugwijst op het burgerlijk gezag zelf. „Terwijl ik schrijve aan het Gouvernement, weet ik niet of ik mij zoo vrij durve uitdrukken, als men anders aan iemand afzonderlijk wel eens zoude doen, doch ik beschouw alles als heel confidentieel.

De R. C. Geestelijken in Twenthe schijnen in deze latere dagen aan kwalijkgezinden als verdacht gehouden en zelfs bij het Gouvernement beschuldigd als conspiranten tot Volksoproer, tot aanzetten van ongehoorzaamheid enz. Men onderrigt mij, dat er bespieders zijn om op de houding onzer Geestelijken te letten, dat de eene nachtelijke vergaderingen zouden houden tot aanzetting van ongehoorzaamheid; dat een ander collecten in de kerk zoude doen, voor de opstandelingen in Belgiën; dat een ander Pastoor wapenen en buskruid zoude verborgen hebben, welke daarover bij laten avond op hoogere orde zijne kerk en huis moeste laten visiteren. Ik meende in mijnen persoon nog al een goede voorstander en ijverige aanmoediger der Jongelingen tot den Militairen Stand behoorende geweest te zijn, om zich getrouw te houden aan den Koning en het Vaderland, dit zullen getuigen de Concrits uit mijne gemeente. Ik werd evenwel ook beschuldigd, en zoo men zegt, aangeklaagd, dat ik eenen Pastoor van eene bij gelegene Gemeente zoude geschreven hebben: de Jongelingen behoefden tegen de Belgen niet optetrekken. Dit gesprek werd 's morgens onder het volk, ter kerk gaande algemeen, en welke gevolgen? Juist de manschappen dier gemeente verklaarden ronduit niet te willen; hoe zulk voorbeeld en gerugt overwaait tot andere gemeenten behoef ik niet aan te voeren. Zijn dus de getoonde onwilligheden dier manschappen niet geheel een gevolg uit de kwade verdenking en uitstrooysels ten laste onzer Geestelijken, dan is het op zijn minst datgene, waar uit zij voedsel tot zulke ongehoorzame uitdrukkingen getrokken hebben." Het is een waardige briefen meesterlijk van tegen weer.

De nieuw benoemde gouverneur wordt deze brief ter lezing gegeven. Deze zendt het stuk aan Binnenlandse Zaken. Staatsraad Van Doorn stuurt bij zijn bovenvermelde brief van 2 januari 1831, waarin hij zoals wij zagen de nieuwe gouverneur nog meer be-hartigenswaardigheden onder de aandacht bracht, het schrijven van de aartspriester terug. De diplomatieke Van Doorn is evenals de Koning kennelijk niet in zijn schik geweest met dat epistel. Hij schrijft: „Ik laat aan UHooggeboren's beoordeling over of het nuttig kan zijn, dat dezelve, alvorens tot de uitvoering Van des-zelf s oogmerk o vertegaan (- troepen in te zetten, Van B. -) in persoon met den Aartspriester in overleg trede; maar ik moet, ten gevolge van 's Konings last, op den, door UHooggeboren ingezonden brief van dien Kerkvoogd aan UHooggeboren doen opmerken, dat het nuttig geacht schijnt te kunnen worden, om hem te desabuseren wegens de vermoedens jegens hem en de onder hem resorterende Geestelijken wegens het toezigt, dat men op hen zou uitoefenen en wat hij terzake nog meer bijbrengt. Immers is van dat alles hier niets bekend en zal ik, indien te dien opzigte iets bestaat, deswege een bijzonder rapport van UHooggeboren te gemoet zien".

Terwijl Van Rechteren op de Voorst zijn tijd beidt, zendt de fungerend gouverneur Ter Pelkwijk hem op 28 december 1830 een rapport van de commissie uit Gedeputeerde Staten, die in Twente is gaan kijken, „uitwelk rapport ÜHoogGeb. zal blijken dat de vroegere gerugten daaromtrent zeer overdreven zijn geweest". Gedeputeerden Van der Sluis en Sandberg waren bij hun descente vergezeld van de adjunct-commies der ie klasse Heufke en de bode Hogeveen. Zij waren 19 december naar Almelo vertrokken om te spreken met de officier bij de rechtbank.

Deze had hun gezegd dat de gemeentebesturen slap waren en dat voor zover er rust heerste deze was te danken aan de interventie van de aartspriester bij de pastoors.l De 2oe waren zij naar Tubbergen getrokken om de ondertekenaars van het request, waarin de lotingen waren gewraakt, zelf te horen. De gecommitteerden was van „eenige ontdekbare informaliteit" niets gebleken. Spits gezegd! De burgemeester van Tubbergen had hun gezegd dat het request achterwege zou zijn gebleven, „waren de ingezetenen niet opgezet en verleid geworden door het voorbeeld in Oldenzaal gegeven". Nochtans trok hij in twijfel of er wel schutters zouden opkomen, „gevende den wensch te kennen gaarne te zullen zien dat eenige Cavallerie in de nabuurschap ge-stationneerd wierdt". Op 21 december hadden zij te Ootmarsum alles rustig bevonden. Er was gelegenheid geweest een groot aantal „gedesigneerden" te ondervragen. Gecommitteerden hadden „bij de klagers in het algemeen, geen geest van oproer, noch een bepaald en stellig voornemen om zich tegen den uitmarsch te verzetten, kunnen waarnemen . . .".

Ook in Oldenzaal was het kalm. Men had bezwaren tegen Evers, ontvanger der registratie, die, benoemd tot kapitein, op een marktdag in uniform was verschenen, hetgeen als uitdaging werd beschouwd. Het volk had hem scheldend naar huis begeleid. Het was alleen door tussenkomst van de burgemeester „van het plegen van dadelijkheden terug gehouden". Vele schutters hadden overigens gemeend om persoonlijke en huiselijke omstandigheden vrijstelling te hebben.

Tenslotte hadden gecommitteerden nog een gesprek met de burgemeesters van Oldenzaal, Ootmarsum, Lonneker en Ambt Delden. Zij waren overtuigd, „dat wel het grootste gedeelte der schutters uittrekken, doch dat het niet ondienstig ter bevordering van de meerdere tevredenheid der uittrekkenden zoude zijn, dat genoemde kapitein Evers, zoo mogelijk nog voor den Uitmarsch bij een ander Bataillon wierde overgeplaatst; - en daar overigens de meeste Heeren Burgemeesteren de schijnbare ontevredenheid alleen toeschreven; eensdeels aan tegenzin in den militairen dienst en ten anderen aan het heerschend denkbeeld en vrees van dadelijk te zullen moeten vechten tegen hunne geloofsgenooten ] -, twijfelden dezelve geenszins, of de bemoeyingen der geestelijkheid hadden reeds het bedaren der gemoederen teweeggebragt, en zouden vervolgens tot de rustige uitmarsch zeer veel bijdragen, zoodat het nemen (in deze ogenblikken) van zelfs schijnbare geweldige maatregelen geheel onnoodig, en volgens het inzien van Gecommitteerden zelfs voor nadeelig gehouden moeten worden".

De commissie heeft na terugkeer in Zwolle het rapport op 24 december afgesloten. Het is de kerstdagen rustig blijven liggen. De fungerende gouverneur stuurde het op 28 december naar Van Rechteren. Deze wendde zich op 29 december tot de minister van Binnenlandse Zaken, met het verzoek soldaten ter beschikking te stellen. Ook zond hij hem een ontwerp-proclamatie. De Staatsraad Van Doorn berichtte hem in zijn bovenaangehaalde brief van 2 januari dat hem „ter beschikking zullen worden gesteld alle verlangde middelen om den, mijnen inziens, vrij ernstigen tegenstand welke zich in een gedeelte uwer Provincie heeft geopenbaard, te bedwingen,. . .".

Van Rechteren had blijkbaar op de Voorst niemand ter beschikking voor zijn correspondentie. Van Doorn die toch al in die lange brief van 2 januari, zij het hoffelijk, bedenkingen had tegen de graaf, zendt hem nog enige stukken terug welke „waarschijnlijk bij erreur in Uw pakket zijn ingesloten geworden". Uit het telkens herhaald, U Hooggeboren' klinkt bepaald reserve door. Was de keus wel goed geweest?

Op 4 januari verzoekt de gouverneur aan generaal Meyer „schutters en cavallerie op Goor te doen marcheren". Op 9 januari vraagt Meyer hem wanneer hij mag terugkeren uit Twente. De gouverneur schrijft 10 januari dat het bataljon niet voor 17 januari mag vertrekken. Hiermede zijn wij even vooruitgelopen. Het militair optreden is van korte duur geweest. Na 5 dagen vindt de generaal het al jammer van de tijd!

Op 3 januari had Ter Pelkwijk de graaf bericht dat, ondanks het rapport van gedeputeerden, de onwil van de schutters naar Deventer te gaan groot schijnt. De graaf had dit ook zonder dit bericht reeds tussen de regels van het rapport ontdekt. Op dezelfde dag verzocht Ter Pelkwijk aan de generaal-majoor in Overijssel militaire bijstand te geven. Op 5 januari bericht deze hem kolonel Knoll met 5 oo man naar Oldenzaal te hebben gestuurd en kolonel De Jacoby van Deventer uit met 200 dragonders. Hij suggereert Ter Pelkwijk een commissie uit Gedeputeerde Staten naar het operatieterrein te sturen teneinde ter plaatse „Vredelievende Pu-blicatieën" uit te vaardigen! Ter Pelkwijk vraagt Van Rechteren naar maatregelen. Nochtans wil hij daarvoor „deszelfs haast aanstaande overkomst" afwachten, maar bevreesd dat dit wat erg stimulerend klinkt, haast hij zich te vervolgen: „terwijl het mij voorkomt, dat weinig Dagen vertoef geen perikel zullen te wege brengen".

Op 5 januari vraagt de nu toch wel ongeruste Ter Pelkwijk aan Van Rechteren of hij, dan wel de gouverneur zelf, de ministers van Binnenlandse Zaken en van Oorlog op de hoogte zal stellen. Dit was de brief waarmede de estafette op 6 januari om 6 uur in de morgen naar De Voorst werd gestuurd. Wij noteerden reeds dat de graaf op de lastbrief had gesteld: „Ik ga voorlopig na Goor"! Het eerste levensteken van de zwijger!

Op 10 januari bericht de generaal-majoor aan de gouverneur dat er vreemdelingen in Twente zouden zijn en vraagt graaf van Rechteren ervan op de hoogte te stellen. Dat de graaf inmiddels in Twente resideerde was tot hem kennelijk niet doorgedrongen. De Overijsselsche Courant bericht op 11 januari: „Stout op de vaderlijke zachtheid van het bestuur ging de moedwil verder, een niet onaanzienlijk getal misleide schafte zich wapenen aan, beledigde de dienaren des Konings in de uitoefening hunner ambtsverrigtingen en smeedde het plan, om, op het voetspoor van Belgiën zich met geweld te onttrekken aan eene regeering die niets beoogde dan het geluk, de bloei en welvaart zijner onderdanen, die zij door banden van dankbaarheid aan zich waande verbonden te zien, maar die helaas getoond hebben dat edel gevoel niet te kennen, en die geene zegeningen waardeeren dan na dezelve te ontberen, en geen geluk op prijs stellen dan na zich in een kolk van jammeren te hebben nedergestort." De Overijsselsche Courant had er kennelijk weinig van begrepen! Wij zagen, wie „de beledigde dienaren des Konings" waren. „Geen dankbaarheid, geen waardering van de zegeningen. Geluk werd niet op prijs gesteld", schrijft het opinieblad.

Uit het nieuwe boek van Prof. Slicher van Bath l moge blijken waarin „het geluk, de bloei en de welvaart" der Twenten, en dan nog alleen materieel gezien, heeft bestaan! Daargelaten de gewekte geestelijke onrust.

Na een „kolk van jammeren" op 11 januari te hebben gevreesd, schrijft de krant op 17 januari dat de rust schijnt hersteld. Hieruit valt tweeërlei op te maken: de onevenredigheid tussen de berichten over Twente en de werkelijkheid, alsmede de nuchterheid van de Twent. Ondanks de roep der historie, waarin geringschatting, knechting, armoede in stoffelijke zin en beperking in het geestelijk bezit doorklinken, blijft de Twent, vasthoudend als hij is, de bona spiritualia als de eerste en edelste zien. Maar hij heeft tegelijk voldoende zin voor de realiteit die zijn Nederlanderschap vereist, als het vaderland ernst maakt met Twente, zij het dan door het belangrijk genoeg te vinden om er troepen heen te zenden. Die aandacht heeft Twente waarschijnlijk het meest aangesproken. Zijn vasthoudendheid en werkelijkheidszin brengen de Twent ertoe naarmate in de daarna volgende decennia het inzicht bij de regeerders groeit, in de vormende kracht van een positieve levensbeschouwing, zich onverkort te voegen binnen de vaderlandse verhoudingen. Deze nuchterheid maakte Twente tenslotte tot het zwaartepunt van het gewest en tot een nationaal-economisch belangrijke regio van Nederland.

De schutters gaven op hun eigen wijze uiting aan het algemeen gevoel van onbehagen tegen het gevoerd beleid. Men mag in de historie niet met „als" rekenen. Ik ben er echter van overtuigd dat als de Belgen niet waren opgestaan, waardoor de Twentse schutters representanten werden van de onrust, de Twenten op een andere heftige wijze aandacht hadden gevraagd voor hun positie. De nota werd intussen gepresenteerd door de schutters. Van Rechteren gaat 7 januari naar Goor. De volgende dag vertrekt hij naar Oldenzaal, waar hij van uit een logement zijn directie voert.

De binnenkomende troepen zijn snel gelegerd in de overwegend katholieke plaatsen en worden bij voorkeur in gezinnen van dienstweigeraars ingekwartierd. Von Bönninghausen, die als stokebrand werd aangemerkt, krijgt een hele invasie op Herinchave. Luitenant-kolonel, P. J. J. Feerens, commanderend het detachement schutters en huzaren, is via Goor en Hengelo naar Tubbergen getrokken. Hij schrijft van uit „Huize Herinchaven" op 9 januari 1831 aan de gouverneur in Oldenzaal, dat hij met 4 officieren en 22 man op „de minzaamste wijs door den Eygenaar" is ontvangen. De rest van de manschappen is in de omgeving ingekwartierd. In Tubbergen heeft hij een der belhamels laten arresteren. Dit had aanmelding van 12 a 14 man tengevolge. „Het zoude mij aangenaam zijn, van UHEgestrenge geïnformeerd te worden, hoedanig met die knapen te handelen" en verder: „ik heb reden van te geloven het hier spoedig afgelopen zijn, men heeft hier algemeen respect voor de Gelderschen Schutterijen".

Telkens bereiken de gouverneur berichten omtrent het in verzekerde bewaring stellen van refractairs. Talrijk zijn de orders die van de gouverneur uitgaan wegens inkwartiering van manschappen, vordering van paarden, verhoren van suspecte personen, bevelen en lasten aan politieautoriteiten enz. enz. De militaire actie onder bevel van kolonel Knoll maakte een spoedig eind aan de onwilligheid der schutters die, thans onder garantie van een redelijke kostwinners vergoeding voor de thuis-zittenden, (want ook te dezen aanzien regende het klacht op klacht) allengs hun plaatsen gaan innemen. Een stel gangmakers verdwijnt naar Duitsland.

Bij lezing van het uitgebreid archief der provincie, nauwelijks drie weken tij ds omspannend, blijkt dat de berichten welke het Zwols en Haags gouvernement bereikten, zeer overdreven waren en dat men de onwilligheid der schutters te sterk centraal stelde, althans de kern van dit alles niet zag of wilde erkennen. Van Rechteren heeft scherp onderkend waar de schoen wrong. Het vernuft van deze bewindsman, uit de veelheid van juiste en van insinuerende berichten te puren dat wat houvast gaf, is werkelijk te bewonderen. Hij heeft door inschakeling van het militaire apparaat precies gedaan wat moest om een doorbraak van de schutters te bereiken. Hij groeit in een week tijds door eigen waarneming zeer in objectiviteit.Ook hij geloofde vast in de schuld van Von Bönninghausen en stopt diens kasteel vol soldaten. Hij deelt ook de minister mede dat hij zulks heeft gedaan om die reden. Hij staat zeer gereserveerd tegenover de aartspriester van Twente, die hij wel eens zal „onderhouden" over diens brief die ten departe-mente nogal onrust had gegeven. Nog tijdens de veldtocht zal hij, voor zijn doen uitvoerig, in een brief aan de minister de aartspriester volkomen rehabiliteren. Met Von Bönninghausen doet hij dat de tweede dag na zijn vertrek uit Twente, als hij op 18 januari 1831 de minister, wederom uitvoerig en zonder een blad voor de mond te nemen, inlicht over de houding van de jonker. De gouverneur heeft gesprekken gevoerd met Engbers en met Von Bönninghausen. Vooral sinds het gesprek met de aartspriester is de toonaard van zijn berichtgeving meer irenisch.

Op 10 januari had Van Rechteren Van Doorn doen weten dat hij de volgende dag naar Tubbergen zou gaan „om te trachten de heer Aartspriester van Twente te zien ten einde hem mondeling over den inhoud zijner missive vroeger aan Uwe Excellentie medegedeeld en de daarin vervatte klachten te onderhouden". Op 12 januari bericht Van Rechteren dat hij Engbers heeft gesproken en tevreden gesteld. De gouverneur deelt nog mede dat aanvankelijk in 1829 door de Twentse geestelijkheid contacten waren gelegd met de Belgische ambtgenoten. Men verwachtte namelijk een revolutie „in ultramontaanschen geest". Toen de revolutie uitbrak bleek echter spoedig dat de opstand in België een „Demokratische strekking" kreeg. Toen heeft de Twentse clerus met alle, „en zeker niet van kracht ontblote" middelen getracht Twente voor zulk een revolte te bewaren. Tegenover deze bemoeiingen stonden echter die der, zoals Van Rechteren hen noemt „Katholiek Jacobijnse Volksmenners en de natuurlijke weerzin die de ingezetenen tegen den krijgsdienst hebben".

In zijn voorlopig laatste rapport aan Van Doorn van 18 januari toont de Gouverneur aan dat niet Von Bönninghausen de aanstichter is geweest. De verdachtmakingen aan zijn adres zijn vermoedelijk uit de kring der ridderschap afkomstig, merkt hij op. Als lid van de Staten, vertegenwoordigende de Ridderschap, was Von Bönninghausen sedert 1830 niet „ingekozen, zijnde de kiezers alle van andere gezindheid".

In deze brief is zelfs een Van Rechteren breedsprakig. Zelfs aarzelt hij niet in dit verband zijn voorganger Bentinck 2 te noemen, die aandeel heeft gehad in deze wip-politiek. Hoewel hij slechts feiten opsomt, trilt er iets door van begrip voor de diepere gronden van de „opstand". Als hij tenslotte de staatsraad meedeelt dat hij deze t.z.t. zijn visie zal geven welk beleid t.o.v. de katholieke ingezetenen zal moeten worden gevoerd dan beluistert men, mede gelet op de verdere inhoud van dit beleidsstuk, de geboren, dat is, de naar objectiviteit strevende, magistraat. Van Rechter en was niet alleen een objectief waarnemer. Hij is in die weken de alles bewegende motor. Vanuit zijn logement in Oldenzaal spreidt hij een activiteit ten toon die de bewondering gaande maakt. In zijn brieven en rapporten die hij zelf concipieerde, komen al spoedig geen laatdunkende opmerkingen aan het adres van de „Roomschen" meer voor.

De procureur-crimineel der provincie Overijssel schrijft, in een poging om te laten blijken hoe objectief hij de zaak bekijkt, op 6 januari aan de procureur-generaal bij het Hooggeregtshof te VGravenhage: „Ten einde UEH. EG. ook van de Roomsche kant met den staat der onlusten in Twenthe bekend te maken enz.". Hij legt dan over een rapport van de officier bij de Regtbank te Almelo, Waanders. Van Doorn die er kennis van neemt, stuurt het rapport met spoed naar Van Rechteren. Waanders krijgt zijn loon thuis. Van Rechteren, die dwars door vele dingen heeft leren heen zien, stelt op 18 januari de minister er van in kennis dat het publiek weinig vertrouwen heeft in Waanders en dat hij, de gouverneur, het beter acht dat diens zaken maar door de substituut worden behandeld. Een heel rustig testimonium, maar vernietigend voor de zich katholiek noemende Waanders.

Hoewel Van Heeckeren, burgemeester van Eibergen, een bron van informatie is geweest voor Den Haag, heeft Van Rechteren geen behoefte gehad aan enig contact met de briefsteller, die bijna al zijn aantijgingen aan het adres van zijn collegae van Losser, Oldenzaal, Denekamp, Tubbergen, Ootmarsum en aan dat van Von Bön-ninghausen opent met: „Naar men zegt". Dat „men zegt", de aanvankelijke onzekerheid van optreden, de regen van anonieme brieven, de huiszoekingen, de remplacanten-misère, hebben psychologisch averechts gewerkt, tegen een bevolking die zich in velerlei opzicht reeds voelde te kort gedaan. In de twintiger jaren gistte het al. In 1829 zijn er duidelijk tekenen van publiek misnoegen. Ik gaf reeds aan dat de oproeping der schutters slechts aanleiding werd tot rebellie. De oorzaken lagen dieper. Het was duidelijk dat de „opstand" als zodanig de militaire actie niet waard was, volgens het oordeel van velen. Gedeputeerde Staten maakten hierop geen uitzondering.

Van Rechteren bericht zelf op 10 januari aan de generaal-majoor, provinciaal commandant van Overijssel, o.a.: „Hoezeer de berigten vergroot en overdreven waren die men in Zwol heeft gehad, zoo had niet te min zonder krachtdadige tusschenkomst de toestand van dit district waar de geest slecht is, bedenkelijk kunnen worden. Verreweg de meeste weerspannige schutters zijn reeds na de verzamelplaats vertrokken.". Dat bij de actie tevens aan het licht kwam hoe slecht in kleding en kostwinnersvergoedingen was voorzien, dient als zeer belangrijk te worden genoteerd. Het toont ten duidelijkste aan hoe zelfs in deze voor het gouvernement toch wel van primaire orde zijnde aangelegenheden tal van tekortkomingen waren. Er was overigens tekort aan beleid, aan bestuursinteresse voor Twente over de gehele lijn. De positieve waarde van de rebellie en het gouvernementeel militair tegenweer is dat Twente voor Den Haag en Zwolle in het zicht is gekomen.

Op 12 januari schrijft de luitenant-generaal, belast met de algemene volkswapening, een hartige brief aan de gouverneur, met dringend verzoek aan de kwesties kleding en kostwinnersvergoedingen grondige aandacht te besteden. Van Rechteren beantwoordt het stuk uitvoerig op 15 januari. De luitenant-generaal had bij de oudcommandant der Gelderse schutterij niet aan dovemansoren geroepen. Beide soldatenbrieven vormen hoogst interessante lectuur. Op 10 januari al schrijft Van Rechteren de Minister dat de troepen van Knoll de iye zullen afmarcheren. Op 15 januari schrijft hij een duidelijke handleiding voor de bevelvoerend officier die nog met enige manschappen achterblijft. Dan marcheert de „gouverneur-generaal" zelf af.

Het is werkelijk verbluffend welk een werkkracht Van Rechteren in deze „Tiendaagse veldtocht" heeft ontwikkeld. Het aantal door hem zelf geschreven brieven, oproepingen, standjes aan burgemeesters, terechtwijzingen dat de schutters „niet menselijk" zijn behandeld, verslagen aan Van Doorn, is zeer groot. Hij bleek uitmuntend op de hoogte, scheidde bij alles het onbelangrijke - de grootspraak en praal in militaire rapporten en anonieme brieven -van het wezenlijke. Zijn stijl is direct, zonder omhaal. Zijn opmerkingen puntig, zijn verslagen hoffelijk, voornaam en duidelijk, zijn diagnose trefzeker.

Het is geen wonder dat zijn faam hem vooruit is, als hij op 16 januari Twenthe verlaat om het gouverneurschap dat zo'n heftige aanvang had, in het rustige Zwolle onder kalmer omstandigheden te vervullen.

Uit: Overijsselse Portretten Jubileumbundel 1958.

Deze biografie werd geschreven door J. van Beekum.

Zie ook Biografisch Portaal
Geboren:   27-11-1787 Appeltern
Overleden:   09-07-1845 Spoolde
Vader:   Rudolph Christiaan de H.R. Rijksgraaf van Rechteren
Moeder:   Anna Elisabeth van de Capellen
Publicaties:   Van zijn hand: Verhandeling over de staat van den Rijn, de Waal de Maas en den IJssel …. (Nijmegen 1830)
Laatst bijgewerkt op:   15-04-2014