Raymund van Bergen

glazenier, tekenaar en schilder

Raymund van Bergen (1883-1978)


De onder zijn kloosternaam Raymundus of Raymond bekend staande kunstenaar Fons van Bergen kreeg in 1910, na zijn intrede in de Dominicaner orde, toestemming een kunstopleiding te volgen aan de Kunstakademie te Düsseldorf. Hij studeerde daar tot in 1914.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog keerde hij terug naar Nederland, vestigde zich aanvankelijk te Venlo en daarna, vanaf 1919, in het Dominicanerklooster in Zwolle, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen en werken.

In 1918 begon Van Bergen gebrandschilderd glas in lood te ontwerpen waarbij hij zich geïnspireerd toonde door het voorbeeld van de grote 'vernieuwers van de monumentale kunst' zoals hij ze in zijn eigen publikaties omschreef en in zijn geval door dat van Jan Toorop. De ramen die hij in de jaren twintig en dertig maakte, tonen gestileerde, tweedimensionale voorstellingen waarin de monumentale figuren meestal frontaal zijn geplaatst.
De tekening is eenvoudig en streng en de loodlijnen volgen de contouren. Grisaillering is spaarzaam toegepast, waardoor de ramen de indruk wekken van een helder en kleurrijk mozaïek. Ze vormen aldus een voortzetting van de wand. Voorbeelden daarvan zijn de vroegste ramen van zijn hand voor het koor van de Jozefkerk te Alkmaar (1918), zijn ramen in de Vincentius Martelaarkerk te Deursen (1921-192S) en de ramen in de Dominicaner Thomas van Aquinokerk te Zwolle (1926-1929).

De daarop volgende vensters voor het Fraterhuis te 's-Hertogenbosch (1929) tonen echter een veranderde benadering van de achtergrond. De vlakheid ervan wordt vervangen door een illusoire ruimtelijkheid. Ook de figuren in de ramen voor de O.L.V. Rozenkranskerk te Rotterdam (1939) zijn in een perspectivische ruimte geplaatst.
De ramen die hij na de Tweede Wereldoorlog ontwierp, in de periode 1945-1955, laten nog steeds voorstellingen zien met monumentale, zwaaromlijnde en sterk getekende figuren, die dan inmiddels 'ouderwets' aandoen. De ver doorgevoerde stilering van zijn eerdere ramen liet hij toen echter los en deze maakte plaats voor een voorzichtige plasticiteit.
Deze plasticiteit werd bewerkstelligd door sterke grisaillering waarbij mogelijk de invloed van het werk van Joep Nicolas van het eind van de jaren dertig nog meespeelt. Van Bergen plaatste zijn figuren niet langer min of meer frontaal, maar varieerde de houdingen van zijn figuren toen veel meer. De gezichten vertonen realistische, individuele trekken en er zijn meer details.

Van Bergen heeft voornamelijk ontworpen voor kerken en kloosters in Overijssel: onder meer 22 ramen voor de Lambertuskerk in Hengelo (1945-1949), vier ramen voor de Petrus en Pauluskerk in Goor (na 1945), een raam voor het Gebouw van Sociale Zaken (thans RIAGG) in Zwolle (1952) en een gedenkraam voor het raadhuis te Heino (1955).
Eén keer heeft Van Bergen een buitenlandse opdracht uitgevoerd: voor een Dominicanessenkapel in Londen. Zijn ramen werden door verschillende ateliers uitgevoerd: in de jaren twintig vooral door atelier Derix te Kevelaer en atelier Asperslagh te 's-Gravenhage, atelier Nicolas te Roermond en atelier Mesterom te Bunde.
Ook nam hij soms de uitvoering zelf in handen, in zijn eigen atelier op de zolder van het klooster. Jaarlijks hield hij daar exposities van zijn werk (onder andere de kartons van zijn ramen). Na 1955 kwamen er geen opdrachten meer voor gebrandschilderde ramen. Wel bleef hij tot zijn dood in 1978 nog volop tekenen en schilderen. Van Bergen was lid van de Zwolsche Kunstkring.

Auteur: M. van Deijl
Geboren:   30-07-1883 's Hertogenbosch
Overleden:   23-11-1978 Zwolle
Publicaties:   Literatuur: Glas in lood in Nederland, 1817-1968 / hoofdred.: Carine Hoogveld; ; eindred.: Ellinoor Bergvelt en Frans van Burkom. 's-Gravenhage : SDU uitgeverij, [1989]. 414 p. Met het oog op de ramen van de Dominicanenkerk te Zwolle / tekst: C.F.J. Brakkee ; foto's: J. van Putten. Zwolle : Stuurgroep Rectoraat Sint-Thomas van Aquino, 2007. 96 p. Publicaties van Raymund van Bergen: Over Glasschilderkunst In: Katholieke Illustratie, jaargang 53 (1918/1919), p. 173
Laatst bijgewerkt op:   27-02-2014