Hugo Poortman

landschapsarchitect

Hugo Poortman 1858-1953


Poortman bracht zijn jeugd door in Zwolle, waar zijn vader in 1855 als hervormd predikant was beroepen. De belangstelling van de jonge Hugo ging uit naar tuinen en tuinarchitectuur. Na een vierjarige HBS-opleiding kwam hij in de leer bij tuinbaas R. Wind op Villa Flora in Zwolle. Als achttienjarige vertrok hij in 1876 naar Vilvoorde in België om daar een opleiding te volgen aan de belangrijkste opleiding voor tuinarchitectuur in Nederland en België: de Staats Tuinbouwschool. Tijdens zijn studie in Vilvoorde, die hij in 1879 met goed gevolg afsloot, hield hij een dagboek bij, waardoor we een goed inzicht krijgen in Poortmans Belgische jaren. Terug in Nederland werkte hij in de kwekerij van Jac. Jurissen en Zn. te Naarden.

De directeur van de school in Vilvoorde had hem aanbe¬volen bij de beroemde architecte-paysante Edouard André (1840-1911) te Parijs, die behalve in Frankrijk ook grote opdrachten in Italië en Rusland uitvoerde. Hier klom hij op van tekenaar tot chef de bureau. Met steun van André en de Franse regering ondernam Poortman in 1882 een botanische expeditie naar Zuid-Amerika om in Ecuador en Peru planten te verzamelen. Het doel van de reis was het onderzoek af te ronden dat André enkele jaren eerder in Columbia en Ecuador had uitgevoerd. Poortmans expeditie was bijzonder avontuurlijk: in die tijd was Zuid-Amerika in de greep van revoluties. Verbindingen met Europa waren verbroken en Poortman moest in zijn levensonderhoud voorzien door allerlei baantjes, waaronder dat van kroegbaas. De expeditie was uiteindelijk niet bijzonder succesvol, want de verzameling bijzondere planten die hij vanuit Zuid-Amerika verstuurde, ging verloren. In 1885 keerde hij terug naar Parijs waar André hem belastte met belangrijke opdrachten, zoals de aanleg van het Parc de Laversine, dat in opdracht van baron A. de Rothschildt nabij Chantilly werd aangelegd. Edouard André kreeg in 1885 opdracht van W.C.P.O. graaf van Aldenburg Bentinck en zijn vrouw M.C. baronesse van Heeckeren van Wassenaar de nog zeventiende-eeuwse aanleg van 't Weldam bij Goor in een Le Notre-stijl te herscheppen. De leiding van de aanleg van Weldam, één van de belangrijkste tuinen uit het eind van de negentiende eeuw, droeg Edouard André op aan Hugo Poortman.

Van Aldenburg Bentinck was zo onder de indruk van het werk van de jonge Poortman, dat deze hem in 1887 de functie van secretaris en administrateur voor zijn goederen Weldam en Middachten aanbood, waarbij hij de volledige vrijheid kreeg om als tuinarchitect opdrachten van derden aan te nemen. In overleg met André hield hij de leiding over de tuinaanleg van Weldam, die nog vele jaren zou duren. Dat Poortman deze functie op Weldam aannam, hing naar zijn zeggen samen met het feit dat zijn ouders op leeftijd waren en hij derhalve liever in Nederland bleef. Ook op andere bezittingen van graaf van Aldenburg Bentinck, Middachten en het Duitse Gaildorf legde Poortman tuinen aan. Samen met Edouard André was hij ook verantwoordelijk voor de geometrische aanleg bij de oranjerie van Twickel voor de zwager van Van Aldenburg Bentinck. Van Van Aldenburg Bentincks broer kreeg Poortman de opdracht voor een aanleg op Huis te Amerongen en het nabijgelegen Zuijlestein te Leersum. Poortman bewoonde het door de Engelse architect Weatherley gebouwde rentmeestershuis van 't Weldam.

Door het huwelijk met Betsy Thooft in 1894, wier moe¬der een Jannink was, werd hij verwant aan de Twentse fabrikantenfamilies. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, leverde dit Hugo Poortman niet veel opdrachten onder de Twentse fabrikanten op. De tuinarchitecten Leonard Springer en vader en zoon Wattez waren veel populairder bij deze groep, die rond de eeuwwisseling een groot aantal buitenplaatsen met forse parken liet aanleggen. Twee Janninks, een Bunschoten, een enkele Stork en Ter Kuile waren zijn opdrachtgevers in dit milieu.

Poortman zal er waarschijnlijk niet erg om hebben getreurd: zijn opdrachten voor Van Aldenburg Bentinck en Van Heeckeren genereerden nieuwe opdrachten onder de adel, die aan het eind van de negentiende eeuw een soort 'revival' doormaakte. De grootste particuliere opdrachten waren die op Twickel, Weldam, Amerongen, Middachten, Zypendaal etc.

Daarnaast ontving hij ook opdrachten voor de aanleg van openbaar en semi-openbaar groen. In 1891 won hij de prijsvraag voor de aanleg van de Singels van Arnhem en samen met Springer veranderde hij het Park Sonsbeek aldaar. Verder ontwierp hij villaparken te Velp en Lochem (1910) en de tuinaanleg bij het Algemene Ziekenhuis in Almelo. Hij was verder betrokken bij het uitbreidingsplan voor de stad Amersfoort en de inrichting van het villapark De Amersfoortse Berg. De gemeenten Arnhem, Delft en Lochem stelden hem als groen-adviseur aan. Poortman kreeg zoveel opdrachten, dat hij steeds veelvuldiger genoodzaakt was de uitvoering aan de Velpse tuinarchitect Samuel Voorhoeve over te dragen. Zo ook voor de aanleg van de tuin rond het Zwolse Sophia-ziekenhuis.

Een slechte gezondheid heeft Poortman ertoe bewogen zijn rentmeestersfunctie neer te leggen. In 1915 verhuisde hij naar Oosterbeek, waar hij zich nog uitsluitend met tuinarchitectuur bezighield. Lang heeft zijn verblijf in Oosterbeek niet geduurd. In mei 1916 keerde hij naar Twente terug en huurde van graaf Schimmelpenninck het landhuis Peckedam bij Diepenheim. De opdrachten, ook elders uit het land, bleven komen zoals voor de aanleg op Huis Doorn, die hij in samenwerking met Voorhoeve in de jaren 1919-1920 voor ex-keizer Wilhelm II veranderde. Gezien zijn slechter wordende gezondheid zullen opdrachten op Nijenhuis, Verwolde (1926-1928), Warmelo en andere buitenplaatsen in de omgeving welkom zijn geweest.

De invloed van Edouard André op Hugo Poortman is zeer groot geweest. Zijn werk was zeer monumentaal van karakter, waarbij de inspiratie sterk in de Franse barok ten tijde van Lodewijk XIV werd gezocht. Bij grote parken zien we dat Poortman in de directe omgeving van de huizen een geometrische tuinaanleg ontwierp en daarin; zoals op Weldam, Middachten en Amerongen, de reeds aanwezige geometrische hoofdstructuur incorporeerde. Door middel van doorzichten werden deze elementen verbonden met de in landschapsstijl aangelegde overige delen van het park. Kenmerkend voor zijn geometrische tuinen was de plaatsing van vormbomen zoals taxus en buxus op de hoeken van grasparterre en boulingrins. Ook had hij een grote voorliefde voor het gebruik van rododendrons. De landschappelijk aangelegde delen bezaten veelal een sterk gestileerd patroon van langgerekte en flauwgebogen paden. Bij villa's ontwierp hij tuinen in landschapsstijl.

Hugo Poortman vervulde vanaf 1920 veel bestuursfuncties. In 1922 was hij één van de oprichters van de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten en men koos hem als eerste voorzitter. Hij was hoofdbestuurslid van de Koninklijke Maatschappij voor Tuinbouw- en Plantkunde en richtte een Twentse onderafdeling van deze bond op, waarvan hij ook vele malen het voorzitterschap vervulde.

Na 1928, hij was inmiddels zeventig jaar, nam hij nauwelijks nog opdrachten aan, hetgeen niet wil zeggen dat hij zich volledig terugtrok. Tot 1939 was hij de onvermoeibare voorzitter van de door hem opgerichte Landschapscommissie van het Genootschap Het Oversticht. Hij was bestuurslid van de Provinciale Overijsselsche Schoonheidscommissie en lid van het Comité Gewest-Plan van Twenthe. De landbouw genoot zijn bijzondere belangstelling. Hij was voorzitter van de Coöperatieve Landbouwvereniging Overijssel en van de Landbouwonderwijscommissie in Overijssel. Een pioniersrol vervulde hij in de zuivelsector. Hij was bestuurslid en directeur van de zuivelfabriek Weddehoen in Goor en bestuurslid van verschillende verenigingen op dit gebied. Hij zette zich in voor de boerenleenbank Kedingen te Goor, één van de eerste in Overijssel. In zijn woonplaats Diepenheim was hij raadslid en wethouder.

Deze sociaal bewogen man wordt door ouderen gekarakteriseerd als een aristocratische verschijning die zich graag bewoog in het milieu van zijn adellijke opdrachtgevers.

Auteur: Ben Olde Meierink
Uit: Overijsselse biografieën.

Zie ook Biografisch Portaal
Geboren:   24-03-1858 Zwolle
Overleden:   16-06-1953 Diepenheim
Vader:   Teunis Poortman, predikant
Moeder:   Anna Cornelia Benier van der Gon
Echtgeno(o)t(e):   Betsy Thooft (1870-1958)
Publicaties:   Zie: Biografisch Woordenboek van Nederland
Laatst bijgewerkt op:   10-04-2014