Egon Lodewijk Maria Theresia Jozef von Bönninghausen (1899-1943)


Egon Lodewijk Maria Theresia Jozef von Bönninghausen werd op 19 maart 1899 te Amsterdam geboren. Hij was de oudste zoon van Ernst Theresia Meinrad von Bönninghausen (1861-1920) en Theresia Maria Cornelia Francisca de van der Schueren (1874-1960). Von Bönninghausen stierf op 26 februari 1943 in het Kriegslazaret te Stalino (Oekraïne). Egon von Bönninghausen begon zijn carrière in 1923 als volontair op de secretarie van de gemeente Borne, waar zijn oom E.J.J.S. von Bönninghausen burgemeester was.

In 1926 volgde de benoeming tot burgemeester van Ootmarsum; de Overijsselse commissaris A.E. baron van Voorst tot Voorst had hem bij de minister aanbevolen. Von Bönninghausen manifesteerde zich als een eigenmachtig en eigenzinnig bestuurder. De samenwerking met de wethouders en met de gemeenteraad liet herhaaldelijk veel te wensen over, getuige de zogeheten Ootmarsumse schoolstrijd in de jaren 1927-1931. Vier jaar lang verzette Von Bönninghausen zich op alle mogelijke manieren tegen de wens van de gemeenteraad en van het school- en kerkbestuur een R. K. Jongensschool te bouwen. Hij weigerde het betreffende besluit van de raad uit te voeren en wist gedaan te krijgen dat het bij Koninklijk Besluit werd vernietigd.

Hoewel Von Bönninghausen - een zuinige magistraat - zijn dwarsliggen motiveerde met een beroep op de vele kosten, was het evident dat de kersverse burgemeester zijn gezag wilde doen gelden, speciaal tegenover wethouder J.B. Reuwer en pastoor J.J. Scheepers. Ook achtte de (nog) liberale burgemeester een bijzondere school niet zo nodig. Al vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw had er een zekere tegenstelling bestaan tussen de katholieke familie Von Bönninghausen en de geestelijkheid van vooral Tubbergen. Veel katholieken in Twente waren niet vergeten dat vroegere bewoners van de havezate Herinckhavc het opkomende katholicisme hadden tegengewerkt.

Von Bönninghausen hield aan de Ootmarsumse schoolstrijd, die hij overigens verloor, een hartgrondige afkeer van katholieke politici en (kerk)bestuurders over. Na Von Bönninghausens herbenoeming in 1932 verdwenen de klachten over zijn autoritaire optreden niet, al stonden zij een tweede herbenoeming in 1938 niet in de weg. In de behartiging van de hem toevertrouwde gemeentebelangen schoot Von Bönninghausen namelijk geenszins tekort. Onder zijn bestuur kreeg de gemeente een ander en beter aanzien, terwijl er verschillende verbeteringen op het gebied van verkeer en hygiëne tot stand kwamen.

Begin 1939 kwam aan het geduld van de autoriteiten met Von Bönninghausen echter plotseling een einde. De burgemeester werd ervan beschuldigd zich kort daarvoor in pro-Duitse zin te hebben uitgelaten. Zo zou hij hebben gezegd dat hij, in het geval van een Duitse inval, één van de eersten zou zijn die met de Duitsers zou meemarcheren. De minister van Binnenlandse Zaken stelde een onderzoek in en eind februari werd Von Bönninghausen oneervol ontslagen. Volgens de Kroon waren dergelijke 'anti-nationale' uitlatingen 'een Nederlandschen burgemeester onwaardig'; bovendien had het beleid van Von Bönninghausen reeds eerder tot opmerkingen aanleiding gegeven.

Tevergeefs vocht Von Bönninghausen in juni 1939 zijn ontslag voor het ambtenarengerecht aan, om vervolgens in maart 1940 het lidmaatschap van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) aan te vragen. Zijn jongere broer mr. Ernst J.B.M, von Bönninghausen was reeds een prominent lid van die partij. De Duitse bezetting van ons land bracht Von Bönninghausen het zo gewenste 'eerherstel'. Terwijl zijn broer in september 1940 tot burgemeester van Hilversum werd benoemd, wees men tegelijkertijd Von Bönninghausen aan als burgemeester van Tubbergen. Binnen de NSB ging de meer Duits- dan NSB-gerichte Von Bönninghausen behoren tot de radicale vleugel; de NSB diende racistisch en Germaans georiënteerd te zijn. Van NSB-leider ir. A. A. Mussert had hij geen hoge dunk, des te meer echter van mr. M.M. Rost van Tonningen. Het burgemeesterschap van Tubbergen was van korte duur.

In augustus 1941 ontsloeg de Duitse bezetter zijn oude chef, commissaris Van Voorst tot Voorst; Von Bönninghausen werd door Rijkscommissaris dr. A. Seyss-Inquart benoemd tot opvolger en moest Herinckhave verruilen voor Zwolle. Ook als commissaris was het optreden van Von Bönninghausen bepaald eigenaardig en autoritair. Niet alleen weigerde hij meermalen, ongeacht tegenover wie, om eigen inzichten en opvattingen prijs te geven, ook hechtte hij erg sterk aan zijn ambtelijke bevoegdheden, die hij naar alle richtingen trachtte te verdedigen. Beauftragte W. Schröder moest de gedreven idealist Von Bönninghausen meer dan eens afremmen. Vooral de weigering van Von Bönninghausen om per-soneelsaangelegenheden met de Overijsselse NSB-districts-leider W. R. Jager te bespreken, leidde tot een ernstig conflict.

De zaak liep zelfs zo hoog op datjager in juni 1942 Von Bönninghausen dreigde met royement. Toen Von Bönninghausen eind augustus 1942 als vrijwilliger naar het Oostfront vertrok en het commissariaat overdroeg aan een gedeputeerde, kon hij niet op veel resultaten bogen. Al zijn inspanningen ten spijt waren er nog steeds geen bestuursraden - die de gedeputeerden moesten vervangen - benoemd. Ook het aantal NSB'ers dat tot (waarnemend) burgemeester was benoemd, was bij de verwachtingen achtergebleven. Bovendien kwam er door het vertrek van Von Bönninghausen tijdelijk zo goed als een eind aan de nazificatie van het Overijsselse burgemeesterscorps.

Het vertrek van Von Bönninghausen was in de hand gewerkt door de verwijdering die vanaf het voorjaar van 1942 tussen de NSB-commissaris en de NSB, vooral NSB-dis-trictsleider Jager, was ontstaan.

Von Bönninghausen bleek nauwelijks bereid zijn bevoegdheden inzake (her)benoeming en ontslag van burgemeesters in gezamenlijk overleg met Jager gestalte te geven. Toen vanaf juni 1942 Von Bönninghausen een royement boven het hoofd hing werd zijn verwijdering van de NSB helemaal manifest. In zijn laatste maanden als commissaris beval Von Bönninghausen vrijwel geen NSB-kandidaten voor het burgemeestersambt aan. Menig NSB'er had op hem de indruk gemaakt een baantjesjager te zijn, die bovendien vaak elke geschiktheid voor de betreffende functie miste.

Er zijn aanwijzingen dat de beslissing van Von Bönninghausen om aan het Oostfront te gaan vechten, alsmede die van jhr.ir. E.F. Sandberg, die in april 1942 tot burgemeester van Kampen was benoemd, zorgvuldig door NSB-districts-leider Jager was voorbereid en afgedwongen. In de zomer van 1942 had een drietal vooraanstaande NSB'ers onder andere Zwolle bezocht om er de verzamelde NSB-leden aan te moedigen dienst te nemen bij de Waffen-SS. Jager had zich ervan verzekerd dat ook Von Bönninghausen en Sandberg op die vergadering te Zwolle aanwezig waren. Reeds was de nodige druk op hen uitgeoefend, dat zij door het stellen van een voorbeeld de propaganda-actie zouden steunen. Jager, Von Bönninghausen en Sandberg kwamen naast elkaar op de eerste rij te zitten. Toen na een opwekkend woord op allen een beroep werd gedaan om toe te treden, aarzelde dit drietal niet. Anderen volgden hun voorbeeld. Korte tijd later kwam de beslissing van het hoofdkwartier van de NSB af. Jager kreeg wegens persoonlijke onmisbaarheid geen toestemming om te vertrekken; Von Bönninghausen en Sandberg konden gaan. Deze opmerkelijke verklaring voor het vertrek van laatstgenoemden naar het Oostfront werd na de oorlog door Sandberg, tijdens het proces tegen hem, gegeven. Of hierdoor ook het vertrek van Von Bönninghausen kan worden verklaard, is overigens de vraag.

Veel wijst erop dat Von Bönninghausen uit persoonlijke overtuiging tot deze beslissing kwam. Allereerst was de strijdbare Von Bönninghausen niet iemand die zich liet dwingen. Uit correspondentie met zijn broer Ernst blijkt ook niets van dwang. Bovendien stonden zijn persoon en karakter garant voor een dergelijke door idealisme gevoede opofferingsgezindheid. Von Bönninghausen bezat een typische 'adeldom verplicht'-mentalitcit; het hoge ambt dat hij bekleedde bracht volgens hem extra zware verantwoordelijkheden met zich mee, en die mocht men nimmer uit de weg gaan.

Dat Von Bönninghausen er niet tegen opzag om het soldaten-uniform aan te trekken, had hij al in de zomer van 1940 gedemonstreerd. Reeds toen liet de oud-infantcrist - in militaire dienst had men hem de 'modelsoldaat' genoemd -zich inschrijven voor vrijwillige dienstname bij de Waffen-SS. Wel moet de Overijsselse commissaris in de zomer van 1942 de hoop hebben gehad dat na terugkeer van het front de verstoorde verhouding met vooral Jager zou zijn verbeterd. Ook zou een vertrek naar het Oostfront een dreigend royement voorkomen.

Zeker is dat hij eind juli 1942, na goedgekeurd te zijn voor de dienst, NSB-leider Mussert en Rijks-commissaris Seyss-Inquart om toestemming vroeg, welke werd verleend. Op 31 augustus 1942 vertrok Von Bönninghausen vanuit Den Haag naar het doorgangskamp Sennheim en vandaar naar Klagenfurt, waar de werkelijke militaire opleiding plaats vond. In maart 1943 werd in Nederland bekend dat Von Bönninghausen aan zijn verwondingen, opgelopen tijdens zijn vermoedelijk eerste frontinzet, als SS-Schütze bij de 3e Compagnie Westland, was bezweken. Egon von Bönninghausen was ongehuwd. Hij was een achterkleinzoon van Franz Egon von Bönninghausen.

M.F.S. Kienhuis Uit: Overijsselse biografieën

Geboren:   19-03-1899 Amsterdam
Overleden:   26-02-1943 Stalino (Oekraïne)
Vader:   Ernst Theresia Meinrad von Bönninghausen (1861-1920)
Moeder:   Theresia maria Cornelia Francisca van der Schueren (1874-1960)
Publicaties:   

M. F. S. Kienhuis, Provinciaal beleid in bezettingstijd, Overijssel 1940-1945.

Reakties van bestuur en ambtelijk apparaat op enige maatregelen van de bezetter (ongepubliceerde doctoraalscriptie, Nijmegen 1988)

G.F. Klaas, 'De schoolstrijd', in: Jaarboekje stichting heemkunde Ootmarsum 5 (1987), 15-19

K. Vos e.a., De Pruus komt! Overijssel in de Tweede Wereldoorlog. Jaarboek Overijssel, Zwolle 1990

Laatst bijgewerkt op:   27-02-2014