Rhijnvis Feith

dichter en ambtenaar

Rhijnvis Feith (1753-1824)


Rhijnvis Feith werd op 7 februari 1753 te Zwolle geboren. Zijn ouders waren de ontvanger van de convooien en licenten en meensman mr. Pieter Feith (1728-1802) en Elsabé Spaer (1724-1778). Op 8 februari 1824 overleed Rhijnvis Feith te Zwolle waar hij in de Grote kerk werd begraven. Bijna aan het eind van zijn leven - in 1818 - bekende Feith in een brief aan de uitgever Johannes Immerzeel, dat hij in Zwolle "nog al bemind" was. Hij overdreef niet. Op het moment dat hij die drie woorden neerschreef domineerde Feith al ruim een halve eeuw het culturele leven te Zwolle. In zijn kinderjaren ontving de jonge Rhijnvis privé-onder-richt van G. Knoop, praeceptor aan de hogeschool van Harderwijk. In 1768 liet hij zich te Deventer aan het Athenaeum als student inschrijven en het jaar daarop in augustus aan de Leidse universiteit. Al op 13 augustus 1770 promoveerde hij op een uiterst dun proefschrift: De querela inoffidosi testamenti. Op 28 augustus daarop volgend liet hij zich inschrijven als advocaat. Daarmee had Rhijnvis al op zeer jeugdige leeftijd de uitgangspositie bereikt waarop een carrière binnen de Zwolse bestuurlijke elite doorgaans begon. Al snel moet hij ingezien hebben dat hij niet voor de advocatuur geschikt was; de traditionele tweede inschrijving na driejaar die nodig was voor een volledige uitoefening van deze functie, ontbreekt. Voorlopig bleef hij nog tien jaar ambteloos. 

Zijn debuut als dichter vond plaats te Zwolle. In 1772 reciteerde hij een gedicht in het plaatselijke genootschap Nooit is de vriendschap meerder waard, dan als zy 't nut en 't zoete paart. De lange naam is overigens het enige dat van dit gezelschap bekend is. In 1777 was Feith secretaris van het Zwolse departement van de O economische Tak van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. Maar ook buiten genootschappen propageerde Feith nieuwe verlichte ontwikkelingen. Zo behoorde hij samen met zijn vrouw Ockje tot de weinige ondertekenaars van een rekest dat in november 1779 bij het stadsbestuur werd ingediend, met het verzoek om een einde te maken aan het begraven in de kerken en om een begraafplaats buiten de stad in te richten.

De jaren 1780 en 1781 waren voor de relatie tussen Feith en Zwolle van groot belang. In 1780 werd Rhijnvis adjunct ontvanger op het kantoor van zijn vader. Dit hield in dat vader en zoon voor één comfortabel traktement samen het kantoor bestuurden, waarbij de zoon het recht kreeg de vader op te volgen. Rhijnvis Feith bekleedde dit niet onbelangrijke dienende ambt tot 1814. In 1781 verwierf Feith door een erfenis het landgoed Boschwijk. Het zou zijn geliefde verblijfplaats worden. In korte tijd na elkaar waren de omstandigheden gecreëerd voor Feiths blijvende aanwezigheid in zijn geboorteplaats. Zoals de naam van het genootschap uit 1772 suggereerde, is de basis voor vriendschap het Horatiaanse utile duld: de vereniging van het nuttige en het aangename. In Zwolle werd dit verwezenlijkt in zijn ambtelijke functie en Boschwijk.

In het begin van de jaren tachtig bekende hij zich tot het patriottisme. De invloed van zijn buurman in de Bloemendalstraat, Joan Derk van der Capellen tot den Pol, was daar mogelijk niet vreemd aan. Het patriottisme van Feith was voornamelijk moralistisch gekleurd, het was van "hooger orde". Vaderlandsliefde en verzet tegen ingeslopen misbruiken zowel van de regenten als de stadhouder waren de belangrijkste ingrediënten. Wat hij politiek precies voorstond is moeilijk te achterhalen. Toen op 25 januari 1787 in Zwolle echter een patriotse omwenteling plaatsvond en het oude stadsbestuur werd afgezet, werd Feith tot Zwols magistraat gekozen. Slechts zeven maanden duurde het bewind, toen maakte de tegenrevolutie van Willem V met behulp van Pruisische troepen een einde aan deze korte periode.

De gevolgen van de machtswisseling vielen voor Pieter en Rhijnvis Feith nogal mee. Omdat ze zich aan de nieuwe situatie conformeerden, behielden ze hun ambt als convooimeester. Maar de orangistische repressie, plundering, ontslagen en verbanning van veel van Feiths patriotse vrienden in en buiten Zwolle, bezorgden Feith een mentale crisis. Hij had, klaagde hij, zijn vaderland verloren en was niets meer. Pas in 1792 met de verschijning van Het Graf kwam hij de crisis te boven, tevens alle politieke en wereldlijke ambities aan de kant zettend. Toch werd hij na de Franse inval in januari 1795 met een aantal patriottische bestuurders uit 1787, lid van de nieuwe Zwolse municipaliteit. Revanche was zeker het motief. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om enig orangistisch onrecht recht te zetten door het ontslag van een bevriende predikant ongedaan te maken. Na twee maanden hield hij zijn bestuurlijke taak voor gezien en in het vervolg wees hij steevast aangeboden politieke functies van de hand.

Rond de eeuwwisseling krijgt het genootschapsleven in Zwolle vastere voet aan de grond door de oprichting van de Zwolse maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Feith is een van de leidende en actieve leden. Na een kortstondig enthousiasme voor de sociale zorg werd 't Zwolse Nut een gezelschap waarin gedichten werden voorgedragen en concerten gegeven. Drie achtereenvolgende jaren reciteerde Feith op een Nutsavond een leerdicht. Maar ook dat hield op en het betekende, erkende Feith, het einde van het "Zwolsche Nutje". In 1815 werd het Nut opnieuw opgericht en weer werd Feith een gewaardeerd lid. Naast 't Nut was in 1801 de 'Groote Sociëteit' opgericht, een gezelligheidsclub voor de Zwolse notabelen. Hoewel Feith niet op de ledenlijst voorkomt, was hij wel een bezoeker van de Sociëteit. Buiten de georganiseerde gezelschappen onderhield Feith te Zwolle betrekkingen met iedereen die kunstzinnig of intellectueel iets betekende. Hij had contacten met de jong overleden kunstschilder en patriot Hendrik van Ulsen. De gerenommeerde Derk Jan van der Laan verzorgde de illustraties voor Feiths Julia, en Willem van Ulsen (zie in dit deel, 104-107) ontwierp de vignetten voor de Brieven aan Sophië. De organist en componist J.C. Röhner schreef muziek voor enige dichtstukken van Feith, onder andere Het Onweder, De verlossing van Nederland en Fanny. Goede contacten onderhield hij ook met de leraren van de Latijnse school. J. Ph. Medenbach Wakker introduceerde Feith in het Utrechtse genootschap Dulces ante omnia musae en Sicco van Ommeren werd weliswaar afgewezen als schoonzoon maar gewaardeerd als neo-Latijns dichter.

In de nog jonge negentiende eeuw was het maken van gedichten ook in Zwolle 'salonfahig' geworden. Een aantal jonge dichters koesterde zich in de schaduw van de meester: L. Rietberg, A. Doyer, J.C. Pruimers, en A. Wispelwey. Enkelen bezochten 's zomers Boschwijk om van gedachten te wisselen. Daar werden ze sinds 1816 opgewacht door de gastheer gekleed in zwarte jas met de orde van de Nederlandse Leeuw opgespeld.

De laatste jaren van zijn leven bracht Feith in toenemende mate door in het hoekje bij zijn haard. Het einde kwam de dag na zijn zeventigste verjaardag. Na zijn dood zorgde het Zwolse Nut voor de oprichting van een marmeren gedenkteken voor het gewaardeerde medelid. Voor de plaatsing werden Feith en zijn vrouw herbegraven op de nieuwe Zwolse buitenbegraafplaats, waarmee zonder dat iemand zich dit toen realiseerde hun wens uit 1779 alsnog werd vervuld. Ockje Groeneveld, geboren te Jemgum in Oostfriesland op 28 januari 1748, was op 17 november 1772 de echtgenote van Rhijnvis geworden. Zij was de dochter van Hinrich Groeneveld en Ocke Grijse. Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren. Ockje stierf op Boschwijk op 12 mei 1813.

Auteur: J.C. Streng ( uit Overijsselse Biografieën)

Zie ook Biografisch Portaal

Zie ook Canon van Zwolle