George de Thouars

(Pseudoniem: Marquis de Thouars)

dichter en militair

George de Thouars (1807-1850)


George Anne Christiaan Willem Ie Vasseur de Cognac de Thouars, zich noemende Marquis de Thouars, werd op 13 mei 1807 op huize Beugelskamp bij Denekamp geboren. Hij was het vijfde kind van George Willem de Thouars en Wilhelmina Johanna Christina van Foreest. Zijn vader was zonder beroep. George de Thouars overleed op 8 augustus 1850 in Laar, Bentheim.

Door bemiddeling van de Van Rechterens verhuisde het gezin in 1808 naar de havezate Noord-Deurningen. Een belangrijke factor, die mede het karakter van George zal bepalen, is de niet aflatende armoede waarmee het gezin te kampen heeft. Dit wordt in hoge mate veroorzaakt door zijn vader, die zelf geen inkomsten geniet en het kleine vermogen van zijn vrouw opsoupeert. De jonge George heeft een sterk eergevoel. Hij stamt immers uit een oud en aanzienlijk adellijk geslacht, waarin overigens opvallend veel huwelijken gesloten werden tussen naaste bloedverwanten. Dat zou misschien het gebrek aan zelfbeheersing van George kunnen verklaren. Wanneer blijkt dat hij enig dichterlijk talent bezit, wordt hij uitbundig geprezen, hetgeen zijn zelfingenomenheid niet weinig versterkt.

In 1821 kopen de Thouars met geld dat de moeder erft, de havezate Wolda bij Laar in de graafschap Bentheim. Drie jaar later verlaat het gezin deze verwaarloosde behuizing en neemt zijn intrek in De grote Heest, een eveneens in de buurt van Laar gelegen boerenhoeve, welke had toebehoord aan de verdwenen havezate van die naam. In 1823 krijgt George een plaats als page aan het hof van koning Willem I. Voorwaarde is dat hij de artillerie- en genieschool te Delft bezoekt. Zijn studieresultaten vallen echter tegen. De hoge titel van markies, waarop hij zich laat voorstaan, is niet in overeenstemming met zijn beperkte middelen. Prinses Marianne blijkt evenwel gevoelig te zijn voor zijn dichterlijke ontboezemingen. Zij gaat in op zijn romantische avances, maar na enige tijd verflauwt haar belangstelling voor de jonge markies. George voelt zich gekwetst en hij zoekt troost in de drank. Hij vraagt ontslag als page, hetgeen hem eind 1826 verleend wordt. Kort daarop trouwt hij hals-over-kop met een burgermeisje uit Lingen, Sophie Dorothée Wilhelmine Friederike Schaaff. Hierna aanvaardt hij in Hattem een baan als klerk van het kantongerecht en daar blijft hij tot het uitbreken van de Belgische opstand in 1830. Dan wordt hij in het leger opgenomen als sergeant, een rang die hij echter duidelijk beneden zijn stand acht. Na herhaaldelijk afgewezen verzoeken tot bevordering, wordt hij door bemiddeling van de koning ten slofte toch tot luitenant benoemd.

Als hij enige maanden later een detachement soldaten over de Lek moet brengen, kapseist de overvolle boot en verdrinken alle opvarenden behalve Thouars en een fuselier. Ten bate van de slachtoffers, maar ook om zich van alle blaam te zuiveren, schrijft hij het gedicht Mijn onheil op de Lek. Hij bewerkt een treurspel van Koerner en schrijft een reeks opgewonden krijgszangen. Zijn omvangrijkste dichtwerk is De citadel van Antwerpen uit 1834, waarin hij beschrijft hoe de Nederlanders deze burcht verdedigden tegen Franse troepen die de Belgen te hulp waren gekomen.

Daar de drank een inspiratiebron voor hem blijft, nemen de disciplinaire maatregelen wegens wangedrag toe. Zijn vrouw verlaat hem. De citadel van Antwerpen wordt onderscheiden met een gouden medaille, maar oogst ook veel kritiek wegens het overvloedige pathos, dat trouwens kenmerkend is voor veel citadelpoëzie. Tevergeefs probeert Nicolaas Beets - door zijn huwelijk met een freule van Foreest is hij geparenteerd aan De Thouars - de belangstelling van E.J. Potgieter voor dit werk te wekken. Als De Thouars in 1836 in een brochure een officier beticht van lafheid tijdens de Belgische opstand, wordt hij door de burgerlijke rechter veroordeeld. Hij is geheel ontredderd en zijn misdragingen nemen dusdanig toe, dat hij op 7 december 1836 uit de militaire dienst ontslagen wordt. Hij vlucht naar zijn moeder, die tijdelijk bij haar broer Jacob van Foreest te Heemse verblijft. Deze wil hem niet ontvangen. De gewezen luitenant vindt onderdak bij Raphaël de Bruin, een Joodse slager te Heemse.

Er breekt nu een periode aan waarin De Thouars veel schrijft en publiceert. Voor alles zoekt hij eerherstel. Hij werkt bijzonder hard om de gunst der Oranjes terug te winnen. Elke gebeurtenis binnen het koningshuis wordt door hem bezongen. In Weemoedstranen herinnert hij prinses Mari-anne aan de gelukkige dagen die ze samen doorbrachten aan het hof. Verjaardagen, de dood van koningin Wilhelmina in 1837, maar ook het omstreden huwelijk van de koning met Henriëtte d'Oultremont inspireren hem tot dichterlijke ontboezemingen.

In 1838 verschijnt de bloemlezing Orphea waarvoor ook Beets een bijdrage afstaat. De Thouars schrijft twee bijzonder aardige en goede gedichten in het Twents die worden opgenomen in de Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren van 1839 en 1840. Potgieter toont in de Gids waardering voor enkele gedichtjes uit zijn Dichtbundeltje voor de Jeugd. Hij raadt hem echter aan kritisch te staan tegenover zijn eigen smaak, deze te zuiveren en eenvoud te betrachten. De Thouars komt in contact met de boekhandelaar en uitgever Van der Scheer te Coevorden. Deze brengt in 1837 zijn bundel Dichtloover uit en laat hem kennismaken met andere schrijvers als Harm Boom en Lesturgeon. Intussen vervalt de dichter tot steeds diepere armoede.

In 1841 vraagt hij Willem II bij diens bezoek aan Overijssel in een welkomstgedicht iets te doen voor zijn behoeftige moeder en zijn zusters. Eenjaar later wordt de sjofel geklede dichter door de koning te Coevorden ontvangen met een: 'Bonjour Thouars, hoe kom jij hier en hoe vaart uwe mama?' In de barre winter van 1846 ontvangt De Thouars te Heemse op zijn smeekbede twintig gulden voor kleding. Het hof betaalt bovendien een halfjaar lang vijf gulden per week voor kamerhuur, voedsel en brandstof. Wanneer hij echter gaat schrijven in oppositiebladen als De Ooijevaar, De Burger en de Zierikzeesche Nieuwsbode, wordt het jaargeld van zijn moeder - groot 300 gulden - door de koning ingetrokken.

De verzen die De Thouars van dan af nog schrijft, worden meer en meer emotioneel en onbeheerst. Zo doet hij in 1846 een rancuneuze aanval op kantonrechter Jan Bruins te Heemse, die hij Jan Bedrog noemt. Deze zou zijn moeder op slinkse wijze haar lijfrente ontfutseld hebben. Tevens beschuldigt hij Bruins' zoon ervan gelden van emigranten naar Amerika verduisterd te hebben. Wegens laster moet de schrijver te Zierikzee en Den Haag terechtstaan. Op mensonterende wijze wordt hij in de winter als gevangene naar Zeeland overgebracht, hetgeen een golf van verontwaardiging door het land doet gaan. De Thouars wordt veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, vijf jaar verlies van burgerrechten, enkele boetes en betaling van de proceskosten. Het geld komt uit giften bijeen.

Om gevangenisstraf te ontlopen wijkt hij uit naar zijn moeder op De grote Heest. Daar schrijft hij nog voor prinses Marianne Een Kerkerbloem voor het Mariannefeest op 9 mei 1848. Wanneer zijn moeder in datzelfde jaar sterft, wordt haar bezit onder de talrijke kinderen verdeeld. De hulpeloze dichter heeft nu geen toevlucht meer. In de Drentsche Volksalmanak verschijnt in 1849 nog zijn gedicht Alst, waarin hij zijn bitter levenslot bezingt. In lompen gehuld zwerft hij als bedelaar door Noordoost-Overijssel en het aangrenzende Bentheimse gebied.

Omstreeks het einde van juli 1850 ziet men hem bij Ane langs de weg zitten, kauwend op een homp brood, die hij van deze of gene gekregen had. Veertien dagen later sterft hij in de vervallen hut van een oude weduwe, die hem uit medelijden bij zich had opgenomen. De Thouars huwde in 1827 te Lingen met Sophie Dorothee Wilhelmine Frederieke Schaaff, geboren te Arensdorf (Pruisen) in 1808, overleden in Amsterdam op 27 juli 1849, dochter van Johann Friedrich Wilhelm Schaaff en Wilhelmine Schnittker. Uit het huwelijk werd een dochter geboren. Nadat haar eerste huwelijk door echtscheiding was ontbonden, huwde Sophie Schaaff voor de tweede maal met Johan Pieter Frederik Franke.

Auteur: C. Lina

Uit: Overijsselse biografieën

Zie ook Biografisch Portaal
Geboren:   13-05-1807 Denekamp
Overleden:   08-08-1850 Laar Bentheim
Vader:   Georges Willem de Thouars (zonder beroep)
Moeder:   Wilhelmina Johanna Christina van Foreest
Echtgeno(o)t(e):   Sophie dorothee Wilhelmine Frederieke Schaaff
Publicaties:   GA Hardenberg, Oud-archiefgemeente Ambt Hardenberg H. Doedens, Markies de Thouars, Enschede 1971 G.J. ter Kuile, 'Een zoon van het Singraven', in: Verslagen en Mededelingen van de Vereniging tot Beoefening van Overijsselsen Regt en Geschiedenis 32 (1916), 58-67 Wim Zaal, 'Markies De Thouars', in: Nooit van gehoord, Amsterdam 1969, 22-37 M.J.F. Robijns, Radikalen in Nederland 1840-1849, Leiden 1967 EJ. Potgieter, 'Poëzie voor de Jeugd', in: De Gids, 1838, 298-304 C. Lina, 'George Anne Christian Willem Marquis de Thouars', in: Rondom den Herdenbergh 1990, 724-726; 1991, 830-834, 855-857 Drentsche Courant Zierikzeesche Nieuwsbode De Nederlandse Spectator
Laatst bijgewerkt op:   22-04-2014